Hoofdmenu openen
Poster ter gelegenheid van de Dag van de Arbeid

De economie van de Sovjet-Unie was een centraal geleide economie, gebaseerd op een systeem van collectieve landbouw, industriële productie en collectief eigendom van productiemiddelen. De economie werd gekenmerkt door staatscontrole over de investeringen, staatsbezit van industriële activa, macro-economische stabiliteit, verwaarloosbare werkloosheid en een hoge baanzekerheid. In de laatste dertien jaar (1973-1985) voor Perestrojka en Glasnost was er sprake van economische stagnatie. Nadat Michail Gorbatsjov aan de macht was gekomen, zette hij een proces van liberalisering in gang waardoor het land veranderde in een marktgeoriënteerde socialistische economie. Bij het uiteenvallen van de Sovjet-Unie eind 1991 erfde de Russische Federatie 66 miljard dollar aan buitenlandse schulden en nauwelijks een paar miljard dollar aan goud en internationale reserves.

Vanaf 1928 werd het volledige verloop van de economie bepaald door een aaneenschakeling van vijfjarenplannen. Tegen 1950 had de Sovjet-Unie zich ontwikkeld van een agrarische maatschappij tot een industriële grootmacht. Door deze prestatie – door de Nationale Veiligheidsraad van de Verenigde Staten omschreven als een “bewezen vermogen om achtergebleven landen snel door de crisis van modernisering en industrialisering te loodsen” – voelden intellectuelen in ontwikkelingslanden in Azië zich aangetrokken tot het communisme. De imposante groeicijfers gedurende de eerste drie vijfjarenplannen (1928-1940) vielen des te meer op, omdat deze periode vrijwel gelijk liep met de Grote Depressie. Desondanks was het land, vanwege de armoedige basis waarop de vijfjarenplannen voortbouwden, nog steeds arm bij het begin van Operatie Barbarossa. Keerzijde van de stalinistische economische ontwikkeling, die zorgde voor economische groei en industrialisatie, was een geschat aantal doden van 10 miljoen, waaronder voornamelijk slachtoffers van hongersnood.

De complexe eisen van de moderne economie en het inflexibele bestuur speelden de centrale planmakers parten. Corruptie en gerommel met gegevens kwam veelvuldig voor onder de bureaucraten die doelen en quota afdeden als zijnde gehaald, en daarmee dus de crisis verergerden. Tussen het Stalintijdperk en het vroege Brezjnevtijdperk groeide de Sovjeteconomie veel langzamer dan de Japanse, maar iets sneller dan de Amerikaanse economie. In 1950 bedroeg het BBP (in prijzen van 1990) van de Sovjet-Unie 510 (100%), dat van Japan 161 (100%) en dat van de Verenigde Staten 1.456 (100%) miljard Amerikaanse dollar. In 1965 waren de corresponderende waardes respectievelijk 1.011 (198%), 587 (365%) en 2.607 (179%). De Sovjet-Unie handhaafde zijn positie als tweede grootste economie ter wereld (zowel nominaal als gecorrigeerd naar koopkracht) gedurende de Koude Oorlog tot aan 1988, toen de Japanse economie een nominale waarde had van meer dan drie biljoen Amerikaanse dollar.

In 1990 waren de consumentenuitgaven goed voor iets minder dan 60% van het totale BBP van het land, terwijl de industriële en agrarische sectoren in 1991 respectievelijk 22% en 20% bijdroegen aan de economie. Landbouw was de voornaamste bezigheid in de Sovjet-Unie voor de grootschalige industrialisatie onder Jozef Stalin. De dienstensector was van marginaal belang in de Sovjet-Unie, waar de meerderheid van de arbeidskrachten in de industriële sector werkte. De beroepsbevolking bestond uit 152,3 miljoen mensen. De industrie stoelde onder andere op de productie van petroleum, staal, motorvoertuigen, chemicaliën, elektronica en hout, alsmede op de ruimtevaartindustrie, telecommunicatie, voedselverwerking, de mijnbouw en de defensie-industrie.

PlaneconomieBewerken

De economie werd geleid door Gosplan (de Staatsplanningscommissie), Gosbank (de Staatsbank) en Gossnab (de Staatscommissie voor materieel-technische Voorziening). Vanaf 1928 werd de economie aangestuurd op basis van vijfjarenplannen, en heel even op basis van zevenjarenplannen. Voor iedere onderneming bepaalden planningsministeries (zogenaamde "kapitaalhouders" of fondoderzhateli) de inzet van productiefactoren (bijvoorbeeld arbeid en ruwe materialen), het tijdsschema, alle groothandelsprijzen en vrijwel alle verkoopprijzen. Het planningsproces was gericht op materiaalbalansen waarbij economische input in evenwicht moest zijn met geplande economische output.

Na 1928 was de industrie lang gefocust op de productie van kapitaalgoederen door metallurgie, machineproductie en de chemische industrie. In Sovjettermen stonden kapitaalgoederen bekend als groep A goederen, of productiemiddelen. Deze nadruk was gebaseerd op de opvatting dat er een noodzaak bestond voor een snelle industrialisatie en modernisering van de Sovjet-Unie. Na de dood van Stalin in 1953, lag de nadruk iets meer op consumentengoederen (groep B goederen) dankzij inspanningen van Malenkov. Toen Chroesjtsjov echter zijn machtsbasis verstevigde door Malenkov te ontslaan, was een van de aantijgingen tegen Malenkov dat hij "theoretisch incorrecte en politiek schadelijke oppositie tegen het ontwikkelingstempo van de zware industrie ten faveure van het ontwikkelingstempo van de lichte en de voedselindustrie" toestond. Daarom lag de prioriteit sinds 1955 weer bij kapitaalgoederen, wat naar voren kwam in de besluiten van het 20ste Congres van de Communistische Partij in 1956.

De meeste informatie kwam in de Sovjeteconomie van bovenaf. Er waren meerdere mogelijkheden voor producenten en consumenten om ideeën en informatie aan te dragen die zouden kunnen helpen bij het opstellen van de economische plannen, maar het politieke klimaat zorgde ervoor dat maar weinig mensen ooit negatieve kritiek op de plannen uitte. De Sovjetplanners ontvingen dus maar weinig betrouwbare feedback om het succes van hun strategieën te bepalen. Dit betekende dat economische planning vaak was gebaseerd op foutieve of verouderde informatie, vooral in de sectoren met een groot aantal consumenten. Dit leidde tot onderproductie van bepaalde goederen, wat zorgde voor tekorten, terwijl er aan andere producten juist weer overschotten waren. Managers op de werkvloer rapporteerden zulke problemen vaak niet aan hun leidinggevenden, maar steunden in plaats daarvan op elkaar. Sommige fabrieken ontwikkelden om het economische plan heen een systeem van ruilhandel en wisselden ruwe materialen en halffabricaten uit zonder dat de autoriteiten daarvan op de hoogte waren.

De focus van de Sovjeteconomie lag altijd op de zware industrie, zelfs in de laatste jaren. Het feit dat het speciale aandacht kreeg van de planmakers en dat industriële productie relatief makkelijk te plannen was (ook met geringe feedback), zorgden voor een significante groei in de sector. De Sovjet-Unie werd een van de leidende industrielanden in de wereld. Industriële productie was disproportioneel hoog in de Sovjet-Unie vergeleken met westerse economieën. De productie van consumentengoederen was daarentegen disproportioneel laag. Economische planmakers deden weinig moeite om de wensen van consumenten vast te stellen, waardoor er een groot tekort was aan veel consumentengoederen. Als deze consumentengoederen op de markt kwamen, stonden consumenten geregeld in lange rijen om deze te kopen. Er ontstond een zwarte markt voor goederen die bijzonder gewild waren, maar slechts beperkt werden geproduceerd, zoals sigaretten.

Zie ookBewerken