Hoofdmenu openen

Drostenborg

Rijksmonument op Uiterburen 53

De voormalige Drostenborg (ook Drostenburg, Drostenborgh, Drostenborch, Drostenburgh, Oosterbroek en Gockingaborg genoemd) is een voormalig steenhuis of herenhuis in de buurtschap Uiterburen te Zuidbroek. Vanaf de zestiende eeuw tot in de Franse tijd zetelde hier de ambtman, later de drost van het Wold-Oldambt. De huidige landhuis aan de Uiterburen 53 dateert uit 1875. Het is een rijksmonument.

GeschiedenisBewerken

De Gockingaborg was een steenhuis dat halverwege de 13e eeuw werd gebouwd door de familie Gockinga. Het steenhuis bevond zich in het gehucht Uiterburen onder Zuidbroek op het terrein van de huidige Drostenborg.[1] Op dit terrein zijn resten van kloostermoppen gevonden.

De borg bevond zich op een strategische plek aan de route van Groningen naar Duitsland, die over het hoogveen liep en hier naar het zuiden afboog. Hij ging via een brug over de Munter Ae verder langs het (verdronken) dorp Meeden in de richting van Winschoten en Wedde.

De oorspronkelijke bewoners van het steenhuis, de leden van de familie Gockinga, hadden het geregeld aan de stok met de stad Groningen en de bewoners van omliggende dorpen. De Gockinga's behoorden in de strijd tussen de Schieringers en Vetkopers tot het laatste kamp. In 1398 droeg Tamme Gockinga samen met onder andere Menne Howarda en Omeko Snelghersoen het Oldambt op aan Vetkoper hertog Albrecht van Beieren. De stad Groningen, die op de hand van de Schieringers was, trok vervolgens op tegen deze lokale krijgsheren. In 1399 dwongen zij de toenmalige borgheer Eijolt (ook Eelt, Eelke, Elde of Ayolt) Gockinga de wallen te slechten en de gracht te dempen, waarmee hij voorkwam dat hij voor het gerecht moest verschijnen. Toen dit niet het gewenste effect had trok de stad twee jaar later samen met de boeren onder leiding van Albert Wigbolts en Frederik Arlo opnieuw op tegen de Gockinga's.

1401 De Gockingaborg van Eijolt Gockinga, die behoorde tot de partij van de Vetkopers werd op 24 maart 1401 verwoest door Oldambster boeren met steun van manschappen en kanonnen uit de stad Groningen.[2] De bezetting werd daarbij deels gedood. De voorburg (underborch) van het kasteel werd gesloopt, de grachten werden dichtgegooid en de stenen afgevoerd. Aan de vorm van het perceel te zien, ging het om een ommuurd kasteel met vier hoekbastions.

Eijolt werd meegevoerd naar Groningen en werd pas in 1405 weer in vrijheid gesteld. In een klaagschrift, dat wordt geciteerd door Ubbo Emmius, doet Eijolt uitvoering verslag van de krijgshandelingen en de vernederingen die hij zich heeft moeten laten welgevallen. De verwoesting van het steenhuis werd nog jaren later gevierd in de stad Groningen.

Eijolt's zoon Eppo herbouwde het slot en versterkte het weer. In 1437 trouwde Eppo met Theda, de zus van Edzard II van Appingen-Greetsiel, hoofdeling van Oost-Friesland.

In 1438 werd het slot opnieuw belegerd en opnieuw ingenomen door de stad Groningen. Ook verloor Eppo zijn slot bij Okkeweer (of Aikeweer, later verdwenen in de Dollard) en zijn sterkte te Bellingwolde, die door de stad werd geslecht. Door tussenkomst van zijn zwager mocht Eppo Gockinga zijn steenhuis bij Uiterburen blijven bewonen tot zijn dood in 1444, waarna zijn goed verviel aan de stad Groningen.[3] Zijn weduwe werd gewapenderhand van haar bezit verjaagd[4] en probeerde tot 1456 tevergeefs om haar goederen bij Uiterburen en Okkeweer terug te krijgen. Haar zoon Sibet Attena van de Beningaburg probeerde vervolgens om een doorbraak te forceren door de Eems over te steken en Oterdum in te nemen. Graaf Ulrich I van Oost-Friesland wist in 1458 een verzoening bewerkstelligen, maar Theda kreeg het steenhuis daarbij niet terug.

In de 16e eeuw resideerde hier de ambtman, later de drost van het Oldambt. De Gockemaheerdt wordt genoemd in 1576. Later sprak men ook wel over de Drostenheerd. Het borg en het herenhuis stond ten noorden van de huidige villa, ongeveer waar nu de zwetsloot is. Vermoedelijk bevond zich hierbij ook een boerderij.

Het wapen van de voormalige gemeente Zuidbroek was gevormd uit elementen van de wapens van de stad Groningen en van de familie Gockinga.[5] In het wapen van Oosterbroek stond ter aanduiding van de Gockinga's een kasteel afgebeeld. Het huidige wapen van de gemeente Menterwolde bevat een lelie, die eveneens verwijst naar relatie met de familie Gockinga.[6]

Andere steenhuizenBewerken

Verder zuidelijk lag aan de Uiterburen nr. 39. In 1955 zijn per toeval resten van een steenhuis ontdekt door Remt Lambert Buringh die op dat moment een schuur achter zijn boerderij aan de Uiterburen 39 wilde bouwen.[7]

De afmetingen van de ruïne bedroegen ca. 5,30 × 8,20 m; de muren waren maximaal 1.62 m dik. De fundamenten bestonden slechts uit kloosterstenen, die ca 32 × 15 × 9 cm bedroegen. Ook op de plek van de boerderij Uiterburen 49 zijn resten van kloostermoppen gevonden uit de 14e eeuw.

Aangezien sommige oude overleveringen aangeven dat de Gockinga's na de verwoesting van het steenhuis in een van hun andere huizen nabij het steenhuis gingen wonen, zou het mogelijk om een van deze behuizingen kunnen gaan.[8] Dit berust echter op een misverstand. In de voortuin van Uiterburen 49 zijn eveneens zware fundamenten gevonden. Daarnaast hebben archeologen een steenhuis blootgelegd op het bedrijventerrein 'De Gouden Driehoek' te Zuidbroek. Dit steenhuis is kennelijk door de Dollard overspoeld.