Studentendoop

(Doorverwezen vanaf Doop (studenten))

De studentendoop (in Nederland doorgaans ontgroening genoemd), is een overgangsritueel dat deel uitmaakt van de folklore binnen bepaalde studentenverenigingen. Hierbij moeten nieuwkomers van de vereniging, schachten genaamd, traditioneel opdrachten uitvoeren en beproevingen doorstaan om als ‘’comillito’’ of volwaardig lid te worden aanvaard . De doop wordt doorgaans gevolgd door een verplichte introductietijd. Die officiële inwijding wordt in Nederland inauguratie genoemd. In België heet die officiële inwijding bij studentenverenigingen ontgroening.

Studentendoop in Leuven (10 nov 2005)

Studentendopen en ontgroeningen variëren sterk naargelang van vereniging tot vereniging en van onderwijsinstelling tot onderwijsinstelling en niet zelden bevat het zowel ludieke als mentaal en/of fysiek uitdagende beproevingen. Dit maakt dat er ook enige controverse hangt rond het ritueel.

Oorsprong en GeschiedenisBewerken

Het begrip ‘doop’ kent haar oorsprong in de Bijbel, en is het sacrament tot inwijding tot het Christendom. Later is dit woord ook in andere contexten populair geworden, vooral in de betekenis als overgangsritueel. Inwijdingen als deze komen voor in verschillende culturen en groepen over heel de wereld doorheen de menselijke geschiedenis. Doorgaans hebben ze een hoge symbolische waarde waarbij de buitenstaander de oude maatschappelijke of sociale status achter zich laat, zich moet bewijzen door beproevingen en uiteindelijk wordt ‘wedergeboren’ in een nieuwe maatschappelijke status als deel van de gemeenschap.

In de loop van de 19de eeuw begonnen studentenverenigingen, die stilaan een meer hiërarchische structuur aannamen, dergelijke inaguratie op te nemen in hun folklore [1]. Nieuwe leden konden niet zomaar deel uitmaken van de groep, maar moesten zich hiervoor bewijzen of een ritueel doorstaan. Over de aard van deze inwijdingen en of het hier om echte dopen ging bestaat geen duidelijkheid. Vaak werden dit soort activiteiten in een waas van mysterie gehouden en maakten de verenigingen er dan ook geen schriftelijk verslag van op. Bovendien was de inwijding niet in elke studentenorganisatie even belangrijk en hing veel af van de ‘exclusiviteit’ van de vereniging.

Niet iedereen kon zich vroeger laten dopen. Uiteraard moest men student zijn van de universiteit waar de vereniging zich voordeed, maar lange tijd mochten ook vrouwen geen deel uitmaken van studentenverenigingen en konden zij zich bijgevolg niet laten dopen. Afhankelijk van vereniging veranderde dit gaandeweg, maar tot op de dag van vandaag zijn er op sommige universiteiten wel zogenaamde ‘mannenclubs’, waar enkel mannen zich bij mogen laten dopen. Studentendopen namen daarnaast ook steeds meer een grensverleggend aspect aan, waarbij fysiek en mentaal zware beproevingen niet geschuwd werden door de organisatoren. Al vroeg werd de associatie met vernedering en geweld gelegd en op sommige universiteiten werd het zelfs door de academische overheden een tijd lang verboden.

Tot op de dag van vandaag is het doopritueel echter blijven bestaan en vindt het plaats binnen bepaalde studentenverenigingen op de meeste hogescholen en universiteiten.

VerloopBewerken

De doop en bijbehorende activiteiten worden georganiseerd door het bestuur van de vereniging door leden die zelf gedoopt zijn. In sommige gevallen zijn hiervoor ook een doopmeester en schachtentemmers aangesteld. Niet elke studentenorganisatie heeft echter een studentendoop en sommige verenigingen bestaan uit zowel gedoopte en ongedoopte studenten. De dopen zelf kunnen onderling zeer sterk verschillen qua zwaarheid en verloop. Zo zijn er clubs die opteren om de eerstejaarsstudenten (schachten) te onderwerpen aan een doopweekend. Andere clubs opteren voor één dag. Het gebeurt ook dat in de periode die voorafgaat aan de doop reeds een aantal activiteiten worden georganiseerd.

Doorgaans is de doop opgebouwd uit een aantal handelingen of opdrachten die de schachten moeten uitvoeren. De inhoud van de doop verschilt doorgaans heel sterk afhankelijk van de vereniging en het bestuursjaar, al zijn er ook studententradities waar de dopen een gemeenschappelijke structuur volgen. Op de Vrije Universiteit Brussel bestaan alle facultaire studentendopen bijvoorbeeld uit een ludieke toneelvoorstelling die de schachten moeten uitvoeren terwijl ze beklad worden met een blauwe drap door het publiek, bestaande uit studenten die dit ritueel al hebben doorstaan. Verder zijn er bepaalde regio's waar de schachten verkleed in bepaald thema naar plaats van afspraak moeten komen (in de provincie Antwerpen valt dit minder vaak voor).

Na de doop volgt een periode van ontgroening alvoren de studenten volwaardig lid zijn van de vereniging en ook symbolen zoals petten, klakken of linten mogen dragen, afhankelijk van de studententraditie.

ControverseBewerken

Studentendopen gaan vaak gepaard met enige controverse. Er bestaat een breed maatschappelijk debat met voor- en tegenstanders rond het fenomeen. Hoewel niet alle dopen even hard zijn en studenten het niet altijd als een negatieve ervaring beschouwen zijn de dopen ook al vaak in opspraak gekomen en in vraag gesteld, vooral na ernstige ongelukken of gevallen van grensoverschrijdend gedrag[2]. . In de publieke opinie wordt het ritueel dan ook vaak geassocieerd met vernedering, geweld, overmatig drankgebruik en machtsmisbruik. Om deze reden bestaan er in verschillende studentensteden reglementen, de zogenaamde doopcharters of -decreten. Hierin zijn regels en basisafspraken opgevat die risico’s en ongevallen tijdens dopen moeten vermijden. Hoewel bij het SK Ghendt nooit problemen werden opgetekend, ondertekenden alle clubs van het SK Ghendt op 17 oktober 2005 een doopcontract, opgesteld in samenwerking met de UGent en het stadsbestuur van Gent. Dit onder het mom dat voorkomen beter is dan genezen. Dit contract bevat een aantal regels van het gezond verstand, zoals het verbod op het gebruik van irriterende en chemische producten. De ondertekening werd via vele mediakanalen bekendgemaakt en heeft zodoende het imago van de clubstudent een stuk positiever gemaakt. Een jaar later werd dit contract hernieuwd door de nieuwe presidia van de clubs. In het academiejaar 2007-2008 werd dit een uitgebreider doopcharter dat onder andere ook controles door een doopcomité en sancties bij overtredingen bevat.

Al snel volgden andere studentensteden in het opmaken van doopcharters. Hierdoor moet het dopen aan regels voldoen, zoals een verbod op: gebruik van bepaalde schadelijke stoffen, naakt dopen en het gebruik van slachtafval en rottende etenswaren. Alles wordt strikt gecontroleerd door het stadsbestuur. Sommige steden eisen een inkijk in het draaiboek of de route. De schacht krijgt aan het begin van de doop zijn rechten te horen en ondertekent deze.

Het niet naleven van de doopcharters kan leiden tot intrekking van de erkenning van een vereniging. Hier schuilt hem echter wel een gebrek van deze charters: het heeft geen vat op niet door de universiteiten erkende studentenverenigingen.

In het verleden zijn ook al enkele ongevallen gebeurd waarbij studenten naar het ziekenhuis moesten ten gevolge van een doop. In september 2003 liepen studenten in Antwerpen brandwonden op. Ze moesten in een vat met drek knielen, maar iemand bleek daar een bijtend bestanddeel aan toe te hebben gevoegd. Het bestuur was er niet van op de hoogte. Waarschijnlijk was dit het werk van een individu. In oktober 2004 liep de student Christophe D. derdegraads- en levensgevaarlijke brandwonden op nadat hij ontharingscrème op zijn penis had moeten smeren en gedwongen was dit twee uur te laten zitten. In 2011 belandden in Gent tien studenten in het ziekenhuis na het eten van een ‘Schachtenpap’.

Op 5 december 2018 werd in Vorselaar een 20-jarige jongen uit Edegem na een studentendoop in kritieke toestand naar het ziekenhuis gebracht. Vanwege onderkoeling en de hoge zoutinname door het innemen van grote hoeveelheden vissaus is hij daar twee dagen later om het leven gekomen. De betreffende Leuvense studentenclub Reuzegom had het doopcharter niet ondertekend waardoor het zich in tegenstelling tot de facultaire kringen niet aan de minimale spelregels van een doop hield.[3][4]