Hoofdmenu openen
Monument op Fort Zeelandia, op 8 december 2009 onthuld door president Ronald Venetiaan

De Decembermoorden is de gangbare term voor het in de nacht van 7 op 8 december en op 8 december 1982 martelen en vermoorden van vijftien tegenstanders van het militaire regime van Desi Bouterse. In Suriname en bij de Surinamers in Nederland heeft deze gebeurtenis diepe sporen achtergelaten. De Nederlandse regering bevroor als reactie de ontwikkelingshulp aan Suriname.

Vanaf 2007 vond een proces voor de Surinaamse krijgsraad plaats. Op 29 november 2019 werd hoofdverdachte Desi Bouterse tot twintig jaar gevangenisstraf veroordeeld. Nog zes andere verdachten werden tot straffen van tien of vijftien jaar veroordeeld.[1] Tegen geen van de veroordeelden werd een arrestatiebevel uitgevaardigd.

De moordenBewerken

In de nacht van 7 op 8 december 1982 werden zestien prominente Surinamers die het militaire regime van legerleider Desi Bouterse bekritiseerden van hun bed gelicht en overgebracht naar Fort Zeelandia, het toenmalige hoofdkwartier van het Militair Gezag, waar ze gemarteld en gefusilleerd werden.[2]

Volgens verklaringen van getuigen werden de slachtoffers eerst 'voorgeleid' aan Bouta. Van de zestien gearresteerden werd alleen vakbondsleider Fred Derby vrijgelaten; de overige vijftien werden doodgeschieten op Bastion Veere, een van de open ruimtes van Fort Zeelandia.

De militairen die deel uitmaakten van het vuurpeloton werd verteld dat het ging om de executie van personen die een coup tegen het militaire regime beraamden. Op 8 december 1982 rond 9 uur 's avonds zei Bouterse in een verklaring die uitgezonden werd op de Surinaamse televisiezender STVS dat tijdens kerstnacht 1982 een tegencoup gepleegd zou worden met behulp van buitenlandse krachten en dat deze coup vroegtijdig onschadelijk gemaakt was.[3][4] Na de verklaring van Bouterse werd een fragment uitgezonden van de gearresteerde Jozef Slagveer. Deze had een met name aan de linkerkant opgezwollen gezicht, en las in aanwezigheid van Roy Horb voor de televisiecamera een verklaring voor. Hierin verklaarde hij dat er inderdaad een samenzwering was om met buitenlandse hulp het militaire regime af te zetten.[5] Slagveer zou deze verklaring onder druk hebben afgelegd. Ook André Kamperveen had een soortgelijke verklaring voor de camera afgelegd, maar omdat hij er erg toegetakeld uitzag, werd van zijn verklaring alleen het geluid uitgezonden.[bron?]

De vijftien slachtoffersBewerken

De enige overlevende, de vakbondsleider Freddy Derby, deed op 8 december 2000 verslag van zijn ervaringen waarin hij aangaf dat Bouterse hem had gezegd dat hij moest blijven leven om voor kalmte te zorgen bij de toen "opstandige" vakbonden van Suriname.

Verklaring van BouterseBewerken

De omstandigheden waaronder de vijftien personen omkwamen, zijn tot op heden nooit volkomen opgehelderd. Bouterse zei in een verklaring die op 10 december 1982 op de Surinaamse televisiezender STVS door de nieuwslezer werd voorgelezen: "Toen woensdagmiddag (8 december) het transport van de verdachten van het Fort Zeelandia naar de kazerne op technische problemen stuitte, werd besloten dit transport in de avonduren plaats te doen vinden. Bij dit transport ondernam een aantal der aangehoudenen, vermoedelijk op instigatie van twee der aangehouden militairen, een wilde vluchtpoging. Nadat schoten in de lucht hen niet van hun ontsnappingspoging konden weerhouden, moest gericht worden geschoten waarbij een deel der aangehouden samenzweerders het leven liet".

Rapport van het Nederlands Juristen Comité voor de MensenrechtenBewerken

Het Decembermoordenrapport van het Nederlands Juristen Comité voor de Mensenrechten (NJCM), uitgebracht op 14 februari 1983 in Leiden, is een samenvatting van wat getuigen die tussen 9 en 13 december 1982 in het mortuarium van het Academisch Ziekenhuis zijn geweest hebben waargenomen op de lijken van de slachtoffers.

In het rapport wordt melding gemaakt van sporen van zware mishandelingen in het gezicht van alle slachtoffers, en botbreuken en andere verwondingen die niet afkomstig kunnen zijn van geweerschoten. Ook wordt vermeld dat deskundigen op het gebied van wapens en wapenverwondingen hebben verklaard dat de kogelverwondingen in borst en buik duidelijk zogenaamde inschotwonden waren, wat betekent dat de slachtoffers van voren zijn neergeschoten. De conclusie was dan ook dat de slachtoffers niet op de vlucht waren doodgeschoten, maar dat zij zwaar waren gemarteld en opzettelijk ter dood waren gebracht.

Het rapport vermeldt ook specifieke geconstateerde verwondingen. Zo was Cyrill Daal gecastreerd, Surindre Rambocus was van linkervoet tot nek doorzeefd met kogels, en in de borst- en buikstreek van Jiwansingh Sheombar was met kogels een patroon van een kruis gemaakt.[7]

Nasleep en juridisch procesBewerken

Verenigde NatiesBewerken

In 1983 dienden de nabestaanden van acht slachtoffers verzoeken in bij het Mensenrechtencomité van de Verenigde Naties om een mening te geven: de executies waren in strijd met het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR), en zij meenden dat hen binnen Suriname geen rechtsmiddelen meer ter beschikking stonden. Hoewel de Surinaamse regering er op aandrong het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, oordeelde het Comité dat de 15 slachtoffers "op willekeurige wijze van het leven waren beroofd" in strijd met artikel 6 van het IVBPR, en riep het Suriname op de moorden te onderzoeken en de verantwoordelijken te vervolgen.[8]

In 1984 bracht Amos Wako, een Speciale Rapporteur van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, een bezoek aan Suriname en Nederland in verband met de Decembermoorden. Hij concludeerde dat in de nacht van 8 op 9 december 1982 "standrechtelijke of willekeurige executies hadden plaatsgevonden", die "een traumatisch effect" hadden gehad op de Surinaamse bevolking.[9][10]

Verdeeldheid binnen SurinameBewerken

Het niet onderzoeken van de Decembermoorden leidde tot verdeeldheid binnen Suriname. Velen meenden dat een onafhankelijk onderzoek en de vervolging van de schuldigen noodzakelijk waren om de situatie in Suriname te verbeteren. Anderen zagen het als een "afgesloten hoofdstuk" en vonden dat Suriname vooruit moest kijken.[10]

Gerechtelijk onderzoekBewerken

Op 1 november 2000, ruim een maand voor het aflopen van de verjaringstermijn, begon alsnog een gerechtelijk vooronderzoek, onder leiding van rechter-commissaris Albert Ramnewash. In december 2002 gaf Ramnewash opdracht tot lijkschouwing op de stoffelijke resten van de slachtoffers. Omdat Suriname niet over de benodigde expertise beschikte, werd het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) ingeschakeld. In augustus 2004 droeg het NFI de resultaten van het forensisch onderzoek over aan het Surinaamse onderzoeksteam.

Aanvankelijk werd verwacht dat Bouterse nog in 2004 in Suriname terecht zou moeten staan. Begin december 2004 was echter slechts het vooronderzoek afgerond. Rechter-commissaris Ramnewash droeg de resultaten over aan het Openbaar Ministerie, dat verplicht was de 34 verdachten in de zaak binnen enkele weken te laten weten of zij zouden worden vervolgd. Op 24 december 2004 kregen de verdachten een kennisgeving van vervolging.

In maart 2007 bood Bouterse zijn excuses aan voor de moorden. Tegelijk pleitte hij voor amnestie voor de daders en hun medeplichtigen. Bouterse verklaarde slechts "politiek verantwoordelijk" te zijn voor de moorden. Hij gebruikte ook de woorden "Het was zij of wij".[11] Ook zou hij zelf op het bewuste tijdstip niet aanwezig geweest zijn in het fort. Freddy Kruisland, de advocaat van de nabestaanden, reageerde met de opmerking "Bouterse was toen bevelhebber en deze functie is geen politieke functie. Bovendien hoe kan je praten over politieke verantwoordelijkheid bij een moord".[12]

Volgens verklaringen uit oktober 2007 van twee ooggetuigen - een militair die op 8 december de wacht had in Fort Zeelandia, en een militair die naar eigen zeggen zelf ook geschoten had op de slachtoffers - was Bouterse wel degelijk aanwezig in Fort Zeelandia tijdens de moorden en zijn de vijftien slachtoffers kort voor hun dood in het kantoor van Bouterse op Fort Zeelandia "ondervraagd" door Bouterse, Paul Bhagwandas en Roy Horb. Bouterse zou hier 'eigen rechter gespeeld hebben' en de vijftien slachtoffers 'hun straf opgelegd hebben'.

Volgens de twee getuigen werden de eerste moorden op 8 december tussen halftien en tien uur 's ochtends gepleegd. De getuige die verklaarde zelf geschoten te hebben op de slachtoffers, was onderweg naar zijn toenmalige baas Roy Horb toen hij de schoten hoorde. Hem werd toen meegedeeld dat er een wapen getest werd. Horb was in het kantoor van Bouterse in Fort Zeelandia. De getuige verklaarde dat hij, eenmaal aangekomen in het kantoor van Bouterse, daar alle leden van de groep van zestien die twee jaar eerder de Sergeantencoup hadden gepleegd aantrof, op Ramon Abrahams na.

Ook bleek uit de verklaringen van de twee getuigen dat de moorden al een maand eerder waren voorbereid. Er zou voldoende informatie zijn dat er tegenstanders waren van het militaire regime die "met behulp van buitenlandse krachten (waaronder de CIA) een tegencoup wilden plegen". Aanvankelijk was het plan om deze tegenstanders op zee dood te schieten, op de patrouilleboot S402.[bron?]

Voor zij werden doodgeschoten hadden de journalisten Jozef Slagveer en André Kamperveen, waarschijnlijk onder druk van Roy Horb, voor de televisiecamera dat zij inderdaad een coup hadden willen plegen om het militaire regime af te zetten. Doordat in de verklaring van Kamperveen duidelijke aanwijzingen waren dat hij mishandeld was en onder druk gezet was om de verklaring af te leggen, werd alleen de verklaring van Slagveer uitgezonden. Bij een zitting van het Decembermoordenproces werd de verklaring van Kamperveen voor het eerst aan het publiek getoond.

Proces DecembermoordenBewerken

Op 30 november 2007 begon voor de Krijgsraad het strafproces betreffende de Decembermoorden. Er waren 25 verdachten, onder wie Bouterse de enige hoofdverdachte was. Speciaal voor dit strafproces werd een zwaar beveiligde rechtszaal in Boxel (Domburg) gebouwd. De Krijgsraad in het Decembermoordenproces (de officiële naam van dit proces is het 8 Decemberstrafproces) heeft twee kamers. In de burgerkamer wordt hoofdrechter Cynthia Valstein-Montnor bijgestaan door de burgerrechters Robby Rodrigues en Iwan Rasoelbaks en in de militaire kamer door de militaire rechters kolonel Mike Cooper en luitenant-kolonel Carlos Li Fo Sjoe.[13]

Na aanvang van het proces heeft het op veel verzet gestuit. Bouterse zelf is nooit verschenen in de rechtszaal. Het proces werd in april 2008 opgeschort. Er hadden toen vijf zittingen plaatsgevonden, die voornamelijk waren gewijd aan pogingen van de advocaten van de verdachten om de Krijgsraad niet-ontvankelijk te laten verklaren. Op 3 juli 2008 werd het proces hervat. Naast de militairen Etienne Boerenveen en Arthy Gorré waren de burgers Dick de Bie en Iwan Krolis opgeroepen als verdachte. Enkele tientallen personen waren opgeroepen als getuige. Bouterses voormalige secretaresse Eleonora Graanoogst zou voor Bouterse belastende verklaringen hebben afgelegd.[bron?]

Nieuw oponthoud ontstond toen de advocaat van Bouterse, Irwin Kanhai, een wrakingsverzoek indiende tegen de president van de Krijgsraad. Hij vond dat zij gelieerd was aan de Nationale Partij Suriname (NPS) en daardoor niet neutraal was als rechter. De NPS is een felle politieke tegenstander van Bouterse. Het verzoek van Kanhai werd niet gehonoreerd omdat de argumentatie van Kanhai te zwak gevonden werd. Kanhai beweerde dat rechter Cynthia Valstein-Montnor gelieerd was aan de NPS omdat haar echtgenoot karatelessen verzorgde in een ruimte op Grun Dyari, het hoofdkwartier van de NPS. Ook voerde Kanhai aan dat wanneer de echtgenoot van Valstein-Montnor zijn auto parkeerde op het terrein van Grun Dyari, deze kosteloos beveiligd werd door de bewaking die daar aanwezig was. Ook twee andere wrakingsverzoeken werden niet-ontvankelijk verklaard.[14]

Een van de 25 verdachten, Ruben Rozendaal, legde op 8 mei 2010 tegenover de rechter een verklaring af die in het voordeel was van Bouterse. Kort na deze verklaring zou de advocaat van Bouterse hem tienduizend dollar hebben gegeven, als teken van dank dat hij geen bezwarende verklaringen tegenover Bouterse had afgelegd.[15] In maart 2012 liet Rozendaal deze verklaring intrekken; hij verklaarde op 23 maart 2012 onder ede voor de rechter dat Desi Bouterse destijds persoonlijk Cyrill Daal en Surendre Rambocus had doodgeschoten.[16][17] In zijn nieuwe verklaring zei Rozendaal dat Bouterse ook verantwoordelijk was voor de dood op Roy Horb, zijn zwager Guno Mahadew, Roy Tolud en Wilfred Hawker. Hij verklaarde ook dat Bouterse een drugsdealer en wapenhandelaar was.[15]

Rozendaal kwam volgens eigen zeggen met deze onthullingen omdat hij niet lang meer zou hebben te leven[18] en hij voor zijn dood zijn naam wilde zuiveren. "Ik doe dit voor mijn dertien kinderen, zodat hun vader niet wordt gezien als een moordenaar", zei Rozendaal tegenover een journalist van de Volkskrant. Rozendaal verklaarde dat zijn enige rol in de Decembermoorden was dat hij André Kamperveen thuis had opgehaald en naar Fort Zeelandia had gebracht. Hij verklaarde niet te hebben deelgenomen aan de martelingen en moorden.[19]

In december 2017 pleegde Rozendaal zelfmoord.[20]

Op 19 december 2017 werd twintig jaar cel geëist tegen Benny Brondenstein, Kenneth Kempes en Luciën Lewis. Eerder hoorden president Bouterse en mede-couppleger Steven Dendoe al twintig jaar tegen zich eisen.[21]

UitspraakBewerken

Op 29 november 2019 deed de Krijgsraad uitspraak waarbij Desi Bouterse tot twintig jaar cel werd veroordeeld.[22] Medehoofdverdachte Etienne Boereveen werd vrijgesproken.[23] Ook verdachte Jimmy Stolk werd vrijgesproken.[24]
Benny Brondenstein, Iwan Dijksteel en Ernst Gefferie kregen ieder vijftien jaar gevangenisstraf opgelegd. Steven Dendoe, Kenneth Kempes en Luciën Lewis kregen ieder tien jaar gevangenisstraf.

President Bouterse bevond zich op de dag van de uitspraak voor een handelsmissie in China. De advocaat van Bouterse kondigde aan dat zijn cliënt in verzet en beroep zou gaan.[25]

De verdachtenBewerken

Bij aanvang van het proces eind november 2007 was de lijst met verdachten teruggebracht tot de volgende 25 personen:[26]


Sammy Monsels had naar eigen zeggen graag terecht willen staan, in de hoop zo zijn onschuld te kunnen bewijzen. Doordat in zijn geval de verjaring in 2000 niet was gestuit werd hij in 2005 binnen enkele dagen weer van de verdachtenlijst gehaald. Hij ontving een dagvaarding als getuige.[27]

AmnestiewetBewerken

  Zie Amnestiewet voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Op 19 maart 2012 werd door de parlementariërs Melvin Bouva (MC), Rashied Doekhi (MC), André Misiekaba (MC), Anton Paal (MC), Ricardo Panka (MC) en Ronny Tamsiran (Pertjaja Luhur) een wetsvoorstel voor amnestie voor de Decembermoorden ingediend.[28][29] De amnestiewet zou betekenen dat het Decembermoordenproces zou worden gestaakt; de amnestiewet was ingediend met het oogmerk de verdachten van de Decembermoorden te vrijwaren van strafrechtelijke vervolging.

Velen in de Surinaamse en Nederlandse gemeenschap waren fel tegen de amnestiewet. Vooral het tijdstip waarop de wet werd aangenomen - een week voordat de auditeur militair zijn strafeis zou formuleren tegen hoofdverdachte Bouterse - zorgde voor heel wat hoogopgelopen emoties. In De Nationale Assemblée (het Surinaams parlement) werd bij de behandeling van de wet meerdere keren betoogd dat het aannemen van een amnestiewet in strijd zou zijn met de Surinaamse grondwet die inmenging inzake een lopende rechtszaak uitdrukkelijk verbiedt, en tevens in strijd zou zijn met het Verdrag van San José waar Suriname sinds 12 november 1987 partij bij is.[30] Ook werd constant verwezen naar een internationale wet die duidelijk aangeeft dat mensenrechtenschendingen niet in aanmerking kunnen komen voor amnestie. De Decembermoorden staan officieel aangemerkt als mensenrechtenschendingen.[bron?]

Ondanks de kritiek werd op 4 april 2012, na drie dagen van heftig en emotioneel debat de amnestiewet aangenomen met 28 stemmen voor en 12 tegen. Ook parlementsvoorzitter Jennifer Simons stemde voor het wetsvoorstel. Alle aanwezige oppositieleden stemden tegen. Nieuw Suriname en Broederschap en Eenheid in de Politiek (BEP), beide coalitiepartijen van Bouterse, verlieten tijdens de stemming de zaal omdat zij "niet wilden meewerken aan een wet waar een groot deel van de Surinaamse samenleving bezwaar tegen heeft".[31] Omdat president Bouterse zich in Guyana bevond, werd de nieuwe wet door vicepresident Robert Ameerali ondertekend en bekrachtigd.[32]

In de memorie van toelichting op de amnestiewet staat dat amnestie voor de Decembermoorden nodig is 'om te zorgen voor maatschappelijke rust in Suriname en om de ontwikkeling van Suriname te accelereren'.[33] Volgens Ronnie Brunswijk werd amnestie echter verleend om te voorkomen dat president Bouterse veroordeeld zou worden in het Decembermoordenproces.[bron?] Ook zei parlementslid André Misiekaba, partijgenoot van Bouterse, enkele minuten voordat werd overgegaan tot de stemming van de amnestiewet dat het strafproces een politiek proces is waarbij getracht werd Bouterse politiek te vonnissen.[34]

President Bouterse reageerde vanuit Guyana op de aanname van de wet door te zeggen: "Deze wet is bedoeld om de hele natie te genezen, niet slechts een deel ervan". Volgens Bouterse was de amnestiewet een "nieuw begin" voor Suriname.[35]

Op 5 mei 2012 hielden de coalitiepartijen een zogenoemde Mega Manifestatie op het Onafhankelijkheidsplein in Paramaribo. Hier spraken president Desi Bouterse, de politici Ronnie Brunswijk en Paul Somohardjo, parlementsvoorzitter Jennifer Simons, presidentieel geestelijk adviseur Steve Meye en enkele andere personen. Meye noemde hen die tegen de wijzigingen in de Amnestiewet zijn en niet willen vergeven "staatsvijanden", omdat zij het "hoger doel van één volk en één natie" in de weg stonden. Bouterse gaf aan goed naar zijn geestelijk adviseur te hebben geluisterd en stelde dat dezelfde groep "misdadig" bezig was.[36] Na een week nam Meye, onder druk, de term 'staatsvijanden' weer terug.[bron?]

Reactie van Nederland op de amnestiewetBewerken

Als reactie op aanname van de wet liet de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Uri Rosenthal, de volgende dag de Nederlandse ambassadeur Aart Jacobi uit Suriname terughalen.[37] Rosenthal zei tegenover persbureau Novum dat hij het 'diep teleurstellend' vond dat het parlement in Suriname de omstreden amnestiewet had aangenomen. "Mijn eerste gedachten gaan uit naar de nabestaanden van de Decembermoorden, voor wie dit een zware slag moet zijn", zei Rosenthal.

De PVV wilde een internationaal reisverbod voor de 28 parlementsleden die voor de amnestiewet gestemd hebben. PVV-Kamerlid Louis Bontes zei dat de "28 ja-knikkers van Bouterse" lak hebben aan de open wonden van de nabestaanden en slachtoffers.[38] Ook wilde de PVV dat de Surinaamse zaakgelastigde Chantal Doekhi, dochter van Rashied Doekhi, per direct Nederland werd uitgezet. De derde eis van de PVV was dat ambasadeur Jacobi niet zou terugkeren naar Suriname zolang Bouterse daar president was.[39] Rosenthal ging niet mee met deze wensen van de PVV, maar hij liet wel de overdracht van circa 20 miljoen euro ontwikkelingshulp aan Suriname opschorten.[40] VVD en PvdA vonden dit niet genoeg en zij pleitten voor economische sancties.[39] De Nederlandse premier Mark Rutte noemde de amnestiewet 'onverteerbaar' en zei dat 'Suriname het zou merken dat het dit besluit heeft genomen'.[40]

Als reactie op het opschorten van de 20 miljoen euro ontwikkelingshulp zei Bouterse in een persconferentie op 20 april 2012: "Twintig miljoen euro, ik heb je geen twintig miljoen euro gevraagd. We hebben een economische reserve van bijna achthonderd miljoen dollar."[41] Bouterse noemde de sancties een 'zware lobby vanuit de Noordzee'.

Op 24 juni 2012 besloot minister Rosenthal tot een inreisverbod voor de vijfentwintig verdachten in het Decembermoordenproces. Volgens de minister zou de reisbeperking zich ook uitstrekken tot de andere lidstaten van de Europese Unie. Rosenthal schreef ook een brief naar de Tweede Kamer waarin hij aangaf dat het altijd nog kan dat een bepaalde EU-staat toch een visum verleent, maar dan met territoriale beperkingen. Dit zou het geval moeten zijn met Harvey Naarendorp, de Surinaamse ambassadeur in Frankrijk die ook verdachte in het Decembermoordenproces was. Dit zou dan betekenen dat Naarendorp zich alleen in Frankrijk vrij zou kunnen bewegen.[42]

De kritiek op de omstreden amnestiewet kwam echter niet alleen vanuit Nederland. Ook de ambassadeurs van de Verenigde Staten, Canada, het Verenigd Koninkrijk en Brazilië uitten bij de Surinaamse minister van Buitenlandse Zaken, Winston Lackin, hun bezorgdheid over de amnestiewet.[43] Vooral John Nay, ambassadeur van de VS, benadrukte dat "gerechtelijke procedures vrij moeten zijn van politieke inmenging" en dat "er in ieder land verantwoordelijkheid moet zijn voor mensenrechtenschendingen uit het verleden ongeacht wie de daders of vermeende daders zijn".[44]

Reactie van internationale organisatiesBewerken

Ook de Verenigde Naties, Amnesty International, Human Rights Watch, Verslaggevers Zonder Grenzen, Allied Collective en het Inter-Amerikaans Hof voor de Mensenrechten veroordeelden de amnestiewet.[45][46][47][48][49][50] Human Rights Watch vroeg in een verklaring uitgebracht op 19 april 2012 zelfs om onmiddellijke intrekking van de amnestiewet.[51]

Ongeldigverklaring amnestiewet door de KrijgsraadBewerken

Op 9 juni 2016 bepaalde de Krijgsraad dat de amnestiewet ongeldig was, en dat het proces tegen de verdachten door zou moeten gaan. Als hoofdargument werd aangevoerd dat de wet tijdens een lopend proces was aangenomen. Deze had getoetst moeten worden door een constitutioneel hof. Kort hierop ging Bouterse wat werd genoemd 'constitutionele gesprekken' aan met rechters en werden leger en politie geïnformeerd over de 'constitutionele crisis' waarin het land zich zou bevinden als gevolg van de uitspraak. Parlementsvoorzitter Jennifer Simons was het met haar partijgenoot Bouterse eens. Critici, waaronder de Surinaamse Orde van Advocaten (SOVA), zagen de gesprekken echter als een aantasting van de scheiding der machten.[52] Ook in het parlement stelde Bouterse de 'constitutionele crisis' aan de orde.[53] Als gevolg van de acties van de president, die zich beriep op artikel 148 van de grondwet van Suriname, waarin de regering/de president de bevoegdheid krijgt om in gevallen waarin de staatsveiligheid in het geding is de procureur-generaal bevelen te geven met betrekking tot de vervolging, vroeg aanklager Roy Elgin op 30 juni aan de Krijgsraad om het proces te stoppen. Deze gaf daarop te kennen het proces te verdagen naar 5 augustus datzelfde jaar.[54] Op die dag bepaalde de rechter dat de behandeling opnieuw zou worden uitgesteld, ditmaal tot 30 november van dat jaar.[55] Op 30 november werd de behandeling wederom uitgesteld, nu naar 30 januari 2017. Dit vanwege ziekte van rechtbankpresident Cynthia Valstein-Montnor.[56]

Op die 30e januari bepaalde de Krijgsraad dat de rechtszaak tegen Bouterse en zijn medeverdachten door moest gaan. De rechtbank stelde vast dat Bouterse ten onrechte had ingegrepen in het proces en geen beroep meer kon doen op het genoemde grondwetsartikel. Op 9 februari zou de strafeis worden uitgesproken,[57] maar deze zitting werd verdaagd, omdat het Openbaar Ministerie hoger beroep had aangetekend tegen het besluit van de Krijgsraad.[58] Op 11 mei 2017 verklaarde het Hof van Justitie het hoger beroep ongegrond, waarmee voor de Krijgsraad de weg vrij was om het strafproces te vervolgen.[59] Op 28 juni 2017 werd door aanklager Elgin 20 jaar cel geëist tegen hoofdverdachte Bouterse. In zijn requisitoir sprak Elgin van moord met voorbedachten rade.[60]

HerdenkingenBewerken

 
Plaquette aan de Mozes en Aäronkerk

De Decembermoorden worden jaarlijks op verschillende plaatsen herdacht, onder andere bij het Surinaams consulaat in Amsterdam. In de zuidmuur van de Mozes en Aäronkerk in Amsterdam zit een plaquette met de namen van de vijftien slachtoffers.

RomansBewerken

Edgar Cairo schreef direct in de dagen volgend op de Decembermoorden de roman De smaak van Sranan Libre. Er verscheen een fragment van in Het Parool, het verhaal werd als hoorspel uitgezonden door Radio Nederland Wereldomroep, maar het boek zelf verscheen pas eind 2007 bij uitgeverij In de Knipscheer.

In 2005 schreef Cynthia McLeod de historische roman ...die Revolutie niet begrepen!... waarin ook de Decembermoorden de revue passeren.

LiteratuurBewerken

Externe linksBewerken