Hoofdmenu openen

Hunebed D18 ligt in de nabijheid van Rolde in de Nederlandse provincie Drenthe.

D18 (hunebed)
D18 (hunebed) (Nederland (hoofdbetekenis))
D18 (hunebed)
Situering
Coördinaten 52° 59′ NB, 6° 39′ OL
Foto's
Hunebed D18 op de es bij Rolde
Hunebed D18 op de es bij Rolde
Portaal  Portaalicoon   Archeologie

Het hunebed ligt ten noordoosten van Rolde in de omgeving van het kerkhof en de Sint-Jacobskerk op de es. In de onmiddellijke omgeving ligt nog een tweede hunebed D17. Het hunebed is 'gerestaureerd' door Joan Lodewijk Gerhard Gregory en ziet er 'netter' uit, hunebed D17 is meer een ruïne.

BouwBewerken

Het is tussen 3400 en 3200 v.Chr. opgericht[1] en wordt toegeschreven aan de trechterbekercultuur.

Het hunebed heeft 7 dekstenen, 14 draagstenen, 2 sluitstenen en 2 poortzijstenen[2]. De poort is gericht op het zuiden[3]

Het hunebed is 12,6 meter lang en 3,5 meter breed[4].

GeschiedenisBewerken

De vermoedelijk eerste vermelding van dit hunebed stamt uit 1547. In een geschrift uit die tijd[5] wordt melding gemaakt van de Zuilen van Hercules, die zich in vico Roelden (= Rolde) zouden bevinden. Op de zuilen ligt een offersteen en via een nauwe doorgang kon men onder de stenen komen. Volgens de monnik werden hier voor de komst van Bonifatius mensen geofferd.

Mensen, bij voorkeur vreemdelingen, werden gedwongen door de nauwe doorgang onder de altaarstenen te kruipen, terwijl ze met mest bekogeld werden.[6]

De naam van het geheel was 's Duvels Kut (= kont van de duivel). De beschrijving zou ook kunnen slaan op hunebed D17 of D10.

Beide hunebedden werden door de Boermarke van Rolde voor 150 gulden verkocht na bemiddeling door burgemeester Alexander Carel Jan Frederik Bouwmeester. Eerst wilde men de hunebedden openbaar verkopen, maar Gedeputeerde Staten van Drenthe protesteerde en na een advies van het Ministerie van Binnenlandse Zaken werden de hunebedden aan het Rijk verkocht (in 1872 hunebed D17 en D18 volgde een jaar later).

In 1905 golden ze als een van de weinige archeologische bezienswaardigheden van Nederland.[7] Er zijn veel ansichtkaarten verschenen met deze hunebedden erop, waarschijnlijk zijn deze hunebedden vaker afgebeeld dan alle andere in Nederland. Naast op ansichtkaarten werden deze hunebedden afgebeeld op schilderijen en tegels[8].

Van Giffen vermeld dit hunebed als "in goeden staat", maar toen waren er al restauraties uitgevoerd. Hij betreurt het egaliseren van het terrein er om heen waardoor eventuele restanten van een dekheuvel en kransstenen zijn gewist[9].

Er vonden diverse restauraties plaats: in 1873, in 1931, in 1936, tussen 1957 en 1965 en in 1993[10].

Volgens Robert Dehon zouden in het hunebed wat links ligt (als je met je rug naar de kerk staat) inscripties te vinden zijn[11].

Society of Antiquaries[12]Bewerken

In Engeland ontstond in de jaren zeventig van de 19e eeuw bezorgdheid over de wijze waarop in Nederland hunebedden werden gerestaureerd. In die kringen was men vooral bezorgd dat met de restauraties het oorspronkelijk beeld van de situatie verloren zou gaan. De directeur van de Society of Antiquaries in Londen verzocht de oudheidkundigen William Collings Lukis en sir Henry Dryden om de staat waarin de hunebedden zich op dat moment bevonden nauwkeurig vast te leggen. Zij bezochten in juli 1878 Drenthe en brachten veertig hunebedden op de Hondsrug in kaart. Ze hebben opmetingen verricht en beschreven de aangetroffen situatie, die zij tevens vastlegden in een serie aquarellen. Hun rapportage aan de Society of Antiquaries verscheen echter niet in druk. Hun materiaal werd bewaard bij de Society of Antiquaries, het Guernsey Museum & Art Gallery en het Drents Museum. Het Ashmolean Museum in Oxford bezit kopieën van hun werk. In 2015 publiceerde de Drentse archeoloog dr. Wijnand van der Sanden alsnog hun werk. Hij voorzag hun materiaal van een uitgebreide inleiding. Ook schetste hij de ontwikkelingen met betrekking tot het archeologisch onderzoek van de hunebedden na hun onderzoek tot 2015. Hij gaf als oordeel dat het werk van Lukis en Dryden van hoge kwaliteit was.[13] In het Drents Museum was in 2015 een tentoonstelling over het werk.[14]

Hunebed D18 is weergegeven op Plan XI:[15] Het hunebed was, vermeldde Lukis, 'gerestaureerd' door de Commissaris van de Koning Joan Lodewijk Gerhard Gregory. Het hunebed had 16 draagstenen en 7 dekstenen. Er was geen spoor van een dekheuvel. De ingang lag op het zuiden. Lukis maakte vermelding van de vondst van een urn door de archeoloog Janssen. Volgens Janssens was er in de tijd waarin hij het hunebed onderzocht nog wel een dekheuvel, aldus Lukis, die ook aantekende dat de door Janssens gegeven oriëntatie van het hunebed zeker onjuist was.