Hoofdmenu openen

Comedy Capers - komieke bokkesprongen (Boedijn)

Boedijn

Comedy Capers - komieke bokkesprongen, op. 181 is een compositie voor fanfareorkest van de Nederlandse componist en blaasmuziekpionier Gerard Boedijn.

Comedy Capers
komieke bokkesprongen
Componist Gerard Boedijn
Soort compositie Ouverture
Gecomponeerd voor fanfareorkest
Opusnummer 181
Compositiedatum 1964
Première 1964
Portaal  Portaalicoon   Klassieke muziek

GeschiedenisBewerken

Of het nu volksliederen, oude dansvormen, legendes of menukaarten waren, Boedijn kon overal op componeren. Voor zijn ouverture Comedy Capers werd hij ditmaal geïnspireerd door de gelijknamige televisieserie uit de beginjaren der filmkomedies. Dit werk werd tijdens het Wereld Muziek Concours te Kerkrade in 1966 in de sectie fanfareorkesten uitkomend in de 2e divisie.

MuziekBewerken

In dit werk steekt hij aan de ene kant de draak met de quasi gewichtigheid van de helden van het verhaal, aan de andere kant drijft hij de spot met de populariteit die dergelijke kluchten hebben genoten. Ironie in muzikale beelden is één van Boedijns sterke zijden. Dit heeft hij gemeen met bijvoorbeeld de Belgische componist baron Marcel Poot (Tartarin de Tarascon). Zijn Persiflages en Vijf Epigrammen lopen vooruit op de ditmaal in ouverture-vorm gedachte Comedy Capers.

Een 28-matige inleiding Andante Maestoso geeft een gevoel van verheven gewichtigheid, die echter maar schijn is. Het vrouwelijke element verschijnt in de vijfde maat en vormt de inspiratie voor de aanloop tot de heldendaden van de komiek.

Het volgende gematigde Allegro, stevig in de baspassages op zijn fundamenten gezet biedt voor de melodie een schertskarakter van zestienden noten en kwartpunt en achtsten noten in een vraag- en antwoordspel met een eufonium/tuba-passage.

Meerdere instrumenten mengen zich in de verdere ontwikkeling als een trombone signaal motief. Af en toe een vertraging om de afgelegde weg eens te bezien; dan weer vooruit in de zo voor Boedijn geliefde figuraties van triolen en zestienden noten, wat een ritmisch prikkelend karakter geeft. Een ostinaal basfiguur blijft de situatie beheersen.

Een Burlesco volgt in de 12/8-maat. Een muzikaal filmbeeld van een koddige situatie, heel puntig in trioolfiguraties over enkele instrumentale groepen verdeeld, ons terug brengend in het beginmotief als een doorwerkende herhaling van het Allegromotief volgens de ouverture-vorm, maar met meer tegenmelodieën van een ritmisch karakter.

Het gewichtige slotallegro met vuur wordt afgesloten door een drie maten tellend Largo.

OrkestratieBewerken