Hoofdmenu openen

Catharina Sophia

plantage in Suriname
Woonhuis op de plantage Catharina Sophia
Waterverfschilderij van G.B.C. Voorduin

Catharina Sophia was een suikerrietplantage aan de Saramaccarivier in het district Saramacca in Suriname. De plantage lag rechts bij het opvaren, stroomopwaarts aan de koffieplantage Anna-Maria en stroomafwaarts aan Judashoop.

GeschiedenisBewerken

De plantage werd in 1797 aangelegd door gouverneur Jurriaan François de Friderici. Dit gebeurde na de aanleg van de militaire post Groningen in 1790. De plantage was vernoemd naar de echtgenote van De Friderici. Tot 1833 was de plantage in bezit van de erven van De Friderici.

In 1833 werd de plantage door de Particuliere West-Indische bank gekocht omdat een verstrekte lening niet kon worden afgelost. De plantage werd in 1843 overgenomen door de overheid. Deze wilde van Catharina Sophia een modelplantage maken, met een hoog rendement wat met behulp van de nieuwste technieken moest worden bewerkstelligd. De plantage zou dienen als een voorbeeld dat door particulieren kon worden nagevolgd. In 1844 werd daartoe een ultramoderne suikerfabriek neergezet. De plantage groeide uit tot de grootste suikeronderneming van Suriname en werd in de volksmond Soekroegron (suikergrond) genoemd. In 1829 en in 1847 werden er ongeregeldheden geregistreerd op Catharina Sophia naar aanleiding van de arbeidsomstandigheden. In 1850 telde de slavenmacht 640 personen. In 1857 waren er 720 slaven plus nog een aantal contractarbeiders. In de jaren 1854 tot 1858 produceerde de plantage circa 587 ton suiker per jaar. Toch werd deze fabriek een mislukking, en in plaats van winst draaide de plantage met verlies.

In oktober 1853 arriveerde de eerste groep van 14 contractarbeiders op de plantage. Het waren op Java aangeworven Chinezen. Zij werden tewerkgesteld als suikerkokers en veldarbeiders. In 1857 was Christiaan Johannes Hering belast met de suiker- en rumproductie en schreef enkele boeken over dit onderwerp. Bij de emancipatie in 1863 werkten op de plantage 407 slaven, en daarnaast ook nog een klein aantal contractanten. De plantage kwam wel voor in de emancipatieregisters, maar niet in de bijbehorende eigenarenregisters. Aan de overheidsplantages werd namelijk geen geld uitgekeerd.

De plantage werd in dat jaar weer opgewaardeerd tot een moderne plantage met nieuwe machines. Toch werd de plantage het jaar daarop verkocht aan Anthony Dessé uit Nickerie. Dessé was een grote plantage-eigenaar. Hij was in 1854 eigenaar van drie katoenplantages in Coronie en Nickerie: Leasowes & Clyde, Good Intent en Inverness. In 1856 en 1857 kocht hij bovendien de katoenplantage Sarah en de suikerplantage Paradise. Op een gegeven moment werd de plantage door hem omgezet op koffie en cacao.

In 1866 arriveerde een tweede groep Chinese arbeiders, ditmaal in China aangeworven, en daarna in 1872 nog een derde groep. Deze derde groep kwam niet uit China; zij arriveerden vanuit Nickerie met het schip Eleanor Desse. In totaal heeft de plantage 108 Chinese arbeiders geworven. Tussen 1873 en 1931 arriveerden 320 Hindoestaanse en 245 Javaanse contractarbeiders op de plantage.

In 1908 was W. van Genderen de eigenaar. Er werd toen cacao, koffie en rijst geproduceerd. Thomas Waller was eigenaar in de jaren dertig. Hij was ook eigenaar van de nabijgelegen plantages Margarethas Gift en La Poule. Ook was hij eigenaar van de plantages Berlijn en Elisabethshoop aan de Commewijne.

In 1982 begon de Staatsolie Maatschappij Suriname N.V. op de plantage met de exploitatie van het Tambaredjo olieveld.

GalerijBewerken