Burgerschap van de Europese Unie

Passportbg.jpg
Bulgaars paspoort
Reisepass 2017.jpg
Duits paspoort
Passaportoitaliano2006.jpg
Italiaans paspoort

Een burger van de Europese Unie (of kortweg een Unieburger) is een persoon met de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie.[1][2]

Het begrip burger van de Unie wordt voor het eerst officieel geïntroduceerd in het Verdrag van Maastricht, waarin het niet is bedoeld als vervanging van de nationaliteit (iemand is altijd in eerste instantie bijvoorbeeld Belg of Nederlander), maar als aanvulling op het nationale burgerschap. Om dit te benadrukken is in het Verdrag van Amsterdam de bepaling toegevoegd dat "Het Unieburgerschap naast het nationale burgerschap staat, en niet in plaats daarvan treedt". De bedoeling van deze toevoeging was om de lidstaten zelf en niet het Hof van Justitie het concept "nationaliteit" te laten invullen.

RechtenBewerken

Het Unieburgerschap geeft de volgende rechten en diplomatieke voordelen:[3]

  • Het recht om zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en zich er vrij te vestigen;[4]
  • Het actief en passief kiesrecht bij de verkiezingen voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de lidstaat waar zij verblijf houden, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die staat;
  • Het recht op bescherming van de diplomatieke en consulaire instanties van iedere andere lidstaat op het grondgebied van derde landen waar de lidstaat waarvan zij onderdaan zijn, niet vertegenwoordigd is, onder dezelfde voorwaarden als de onderdanen van die lidstaat;
  • Het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten, zich tot de Europese ombudsman te wenden, alsook zich in een van de officiële talen van de EU-instellingen tot de instellingen en de adviesorganen van de Unie te richten en in die taal antwoord te krijgen.

Een voorbeeld van het derde recht is dat als iemand in bijvoorbeeld Thailand gevangen wordt gezet en hij zijn eigen consulaat niet kan bereiken, iedere consul of ambassadeur van een lidstaat van de Europese Unie verplicht is om (juridische) bijstand te verlenen.

Rechten van vrij verkeerBewerken

Unieburgers putten op basis van hun loutere nationaliteit een aantal rechten uit de Burgerschapsrichtlijn, met name het in- en uitreisrecht en het verblijfsrecht.[5] De Burgerschapsrichtlijn kan slechts worden toegepast indien het vrij verkeer van werknemers niet van toepassing is.

In- en uitreisrechtBewerken

Unieburgers die een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort kunnen voorleggen, mogen het grondgebied van een andere lidstaat binnenkomen.[6] Hetzelfde geldt voor de familieleden die zich bij de EU-burger voegen en eveneens een geldig paspoort hebben. Aan dit recht kan geen inreisvisumplicht worden opgelegd.

Omgekeerd hebben Unieburgers en hun familieleden het recht om de eigen lidstaat te verlaten om zich naar een andere lidstaat te begeven.[7] Dit recht kan niet worden onderworpen aan een uitreisvisumplicht of soortgelijke formaliteit.

VerblijfsrechtBewerken

Het verblijfsrecht wordt ingedeeld in drie categorieën:

  1. het verblijfsrecht voor maximaal drie maanden;
  2. het verblijfsrecht voor méér dan drie maanden;
  3. het duurzaam verblijfsrecht (meer dan vijf jaar).

Maximaal drie maandenBewerken

Unieburgers hebben het recht om gedurende maximaal drie maanden te verblijven op het grondgebied van een andere lidstaat.[8] De enige voorwaarde om dit recht te kunnen uitoefenen, is het bezit van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort. Dit recht strekt zich ook uit ten aanzien van de familieleden die zich voegen bij de burger of hem begeleiden en eveneens een geldig paspoort bezitten.

Meer dan drie maandenBewerken

Elke Unieburger heeft het recht om voor meer dan drie maanden te verblijven op het grondgebied van een andere lidstaat indien:[9]

  • hij in de gaststaat werknemer of zelfstandige is; en
  • hij voor zichzelf en voor zijn familieleden over voldoende bestaansmiddelen en over een ziektekostenverzekering beschikt.

De bestaansmiddelen moeten niet per se van de burger zelf komen. De burger behoudt niettemin zijn status van werknemer of zelfstandige indien:

  • hij arbeidsongeschikt is ten gevolge van ziekte of ongeval;
  • hij onvrijwillig werkloos is geworden na minstens één jaar te hebben gewerkt en zich als werkzoekende heeft ingeschreven bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening;
  • hij onvrijwillig werkloos is geworden na afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst voor minder dan één jaar of hij in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos is geworden en zich heeft ingeschreven als werkzoekende. In dat geval wordt de status van werknemer voor ten minste zes maanden behouden;
  • hij een beroepsopleiding start.

Familieleden van de burger die zich bij hem voegen of hem begeleiden, beschikken ook over dit recht.

Administratieve verplichtingenBewerken

De lidstaten kunnen wél administratieve formaliteiten opleggen aan de uitoefening van dit recht, zowel voor de Unieburger zelf als voor zijn familieleden. Deze inhoud van deze formaliteiten en de grenzen ervan worden uiteengezet in artikel 8 t.e.m. 11 Burgerschapsrichtlijn.

Duurzaam verblijfsrechtBewerken

Elke Unieburger die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal op het grondgebied van een gastland heeft verbleven, verkrijgt hierdoor een duurzaam verblijfsrecht.[10] Dit recht strekt zich ook uit ten aanzien van familieleden die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in het gastland bij de Unieburger hebben gewoond. Tijdelijke afwezigheden van maximaal zes maanden verbreken het ononderbroken karakter van het verblijf niet. In sommige gevallen (militaire verplichtingen, zwangerschap, ernstige ziekte, studie, beroepsopleiding enz.) wordt deze termijn eenmalig verhoogd tot twaalf maanden.

Het duurzaam verblijfsrecht kan slechts worden verloren nadat men meer dan twee achtereenvolgende jaren afwezig is in het gastland.

Positie van familieleden-derdelandersBewerken

Familieleden-derdelanders hebben geen autonome rechten in het Unieburgerschap. Zij kunnen hoogstens rechten ontlenen aan die van een Unieburger indien zij hem begeleiden of zich bij hem voegen.[11] In dergelijk geval verwijst men naar de Unieburger met de term referent. Als familielid wordt beschouwd:

  • de echtgenoot, met inbegrip van echtgenoten van hetzelfde geslacht[12];
  • de geregistreerde partner;
  • de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn, alsook die van de echtgenoot of partner jonger dan 21 jaar of die te hunnen laste zijn;
  • de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande én neergaande lijn lijn, alsook die van de echtgenoot of de partner.[13]

Om de rechten van de derdelander te beoordelen, wordt een onderscheid tussen drie situaties gemaakt:

  • de referent oefent momenteel zijn recht van vrij verkeer uit: in dit geval kan de Burgerschapsrichtlijn volledig worden toegepast en legaal worden gemaakt wat illegaal was,[14] moeten er voldoende bestaansmiddelen voorhanden zijn alsook een ziekteverzekering en is de derdelander gedurende vijf jaar volledig afhankelijk van de Unieburger;
  • de referent oefende in het verleden zijn recht van vrij verkeer uit maar bevindt zich nu weer in de eigen lidstaat: de Burgerschapsrichtlijn kan niet worden toegepast, maar artikel 21 VEU wel. Indien de eigen lidstaat de derdelander weigert, moet worden nagegaan of de referent het effectieve genot wordt ontzegd van de aan het Unieburgerschap verbonden rechten en of de referent wordt belemmerd in de uitoefening van diens recht om zich vrij te verplaatsen en te verblijven in een andere lidstaat. Hiervoor gaat het Hof van Justitie een aantal elementen na:
    • of Unieburger een voldoende sterke band heeft kunnen uitbouwen met de derdelander;
    • of het gezin al dan niet wordt ontwricht indien de derdelander niet zou mogen terugkomen.
  • de referent heeft zijn rechten van vrij verkeer nooit uitgeoefend: dit is de meest nadelige situatie voor de derdelander. Het Hof van Justitie kijkt in dergelijke gevallen of de nationale maatregel tot gevolg heeft dat de Unieburger verplicht wordt om de EU te verlaten.

Artikelen 12-13 Burgerschapsrichtlijn regelen het behoud van het verblijfsrecht van familieleden in geval van overlijden, het vertrek van de Unieburger, scheiding, ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of van beëindiging van het geregistreerde partnerschap.

Autonome inhoud en wederzijdse erkenningBewerken

Grzelczyk en RottmanBewerken

In Grzelczyk en Rottman en oordeelde het Hof dat de hoedanigheid van burger van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten moet zijn en hen die zich in dezelfde situatie bevinden, ongeacht hun nationaliteit, het recht geeft op een gelijke behandeling.[15][16]

MichelettiBewerken

Micheletti was in het bezit van zowel de Argentijnse als de Italiaanse nationaliteit. Zelf leefde hij in Argentinië en beslist hij te verhuizen naar Spanje om zich daar te vestigen als tandarts. Spanje erkent de dubbele nationaliteit maar weigert de vrijheid van vestiging te erkennen omdat de tandarts geen gewone verblijfsplaats heeft in Italië. Het Hof besloot dat de wettelijke regeling van een lidstaat niet de gevolgen van de toekenning van de nationaliteit van een andere lidstaat mag beperken door een extra voorwaarde te stellen voor de erkenning van deze nationaliteit in verband met de uitoefening van de burgerschapsrechten.[17]

Zhu en ChenBewerken

Zhu is een vierjarige Iers onderdaan en het kind van Chinese onderdanen.[13] Zelf is Zhu nooit in Ierland geweest, maar verkreeg ze de Ierse nationaliteit door een juridische constructie die door de ouders werd opgezet. De Ierse overheid wil het kind uitzetten en beargumenteren dat de juridische constructie misbruik uitmaakt van het EU-recht. Bovendien zou er geen beroep kunnen worden gedaan op het burgerschap aangezien het feitelijk (in tegenstelling tot juridisch) om een louter interne situatie gaat.

Het Hof verwerpt deze redenering:

Van meet af aan dient de stelling van de Ierse regering en de regering van het Verenigd Koninkrijk te worden verworpen dat een persoon die zich in de situatie van Catherine bevindt, geen beroep kan doen op de bepalingen van het gemeenschapsrecht inzake het vrije verkeer en het verblijf van personen, op de enkele grond dat die persoon zich nooit van de ene lidstaat naar een andere lidstaat heeft verplaatst.

Er is evenmin sprake van misbruik omdat de doelstellingen van het EU-recht niet worden miskend, maar integendeel worden gepromoot.

Het Hof stelt eveneens dat er geen vereisten bestaan m.b.t. de herkomst van de bestaansmiddelen waarover de EU-burger moet beschikken. In hetzelfde arrest hanteert het Hof een contra legem-interpretatie aangezien de richtlijn voorschrijft dat enkel bloedverwanten-derdelanders in neergaande lijn zich kunnen voegen bij een EU-burger, terwijl het in casu gaat om bloedverwanten in opgaande lijn.

Zie ookBewerken

Externe linkBewerken

ReferentiesBewerken

  1. Art. 9 VEU.
  2. Art. 20, lid 1 VWEU.
  3. Artikel 20 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU).
  4. Artikel 21 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU).
  5. Richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (Burgerschapsrichtlijn).
  6. Art. 5 Burgerschapsrichtlijn.
  7. Art. 4(1) Burgerschapsrichtlijn.
  8. Art. 6 Burgerschapsrichtlijn.
  9. Art. 7 Burgerschapsrichtlijn.
  10. Art. 16 Burgerschapsrichtlijn.
  11. Art. 3(1) Burgerschapsrichtlijn.
  12. HvJ 5 juni 2018, nr. C-673/16, Coman, rechtsoverweging 35.
  13. a b HvJ 19 oktober 2004, nr. C-200/02, Zhu en Chen.
  14. HvJ 25 juli 2008, nr. C‑127/08, Metock e.a..
  15. HvJ 20 september 2001, nr. C-184/99, Grzelczyk, rechtsoverweging 31.
  16. HvJ 2 maart 2010, nr. C-135/08, Rottman, rechtsoverweging 43.
  17. HvJ 7 juli 1992, nr. C-369/90, Micheletti, rechtsoverweging 10.