Hoofdmenu openen

Het Burgerlijk Armbestuur is een instelling die tussen 1855 en 1935 de zorg aan armen regelde in Nederland.[1] Het kwam in de plaats van het Algemeen Armbestuur.

GeschiedenisBewerken

Vanouds werd de zorg voor de arme medemens overgelaten aan talloze kerkelijke en particuliere liefdadige instellingen. Deze instellingen konden aan voorschriften van stedelijke overheden gebonden zijn. Gemeenten konden soms subsidies verlenen, op voorwaarde dat dan ook de niet-kerkelijke armen werden bedeeld. Vóór de Franse Revolutie werd de armenzorg echter meestal als een specifiek kerkelijke zaak beschouwd.

ArmenwetBewerken

Op grond van de Armenwet van 1854 werden gemeentelijke instellingen ingesteld die mensen moesten steunen waaraan om een of andere reden geen bedeling werd toegekend. Het burgerlijk armenbestuur bedeelde alleen wanneer kerkelijke en particuliere armbesturen en de familie niet bereid of in staat waren om uit te keren. De armenwet was bedoeld om het Burgerlijk Armbestuur meer vrijheid en zelfstandigheid tegenover de gemeenten te geven. Burgerlijk armbesturen werd, wanneer het eigen vermogen niet toereikend was, gesubsidieerd door het gemeentebestuur.[2] De bestuurders van de Burgerlijke Armenbesturen werden vaak regenten genoemd.

Na de Eerste Wereldoorlog werden de burgerlijke armbesturen omgezet in gemeentelijke instellingen als Gemeentelijke Dienst voor Maatschappelijk Hulpbetoon. Eerst gebeurde dit in de grote steden, later ook in kleinere gemeenten. De bestuurlijke verantwoordelijkheid werd later overgedragen aan het college van burgemeester en wethouders.

Na de Tweede Wereldoorlog ontstond de benaming Gemeentelijke Sociale Dienst.