Hoofdmenu openen
Geplaatst:
12-10-2019
Genomineerd wegens copyright   Dit artikel is geheel of gedeeltelijk overgenomen uit andere bronnen


Omdat deze pagina daarmee mogelijk auteursrechten schendt, is ze op de beoordelingslijst geplaatst.
De hiervoor opgegeven reden is: Zie de melding van de aanmaker op de overlegpagina

Het is mogelijk dat de tekst met toestemming van de auteur of van een andere bron gekopieerd is, maar dat dit niet duidelijk gemaakt is bij het aanmaken van dit artikel. Indien dit het geval is, kaart dit dan a.u.b. aan op de overlegpagina van dit artikel en op de betreffende beoordelingslijst. Als je een auteursrechtvrije invulling voor deze pagina weet, aarzel dan vooral niet en vervang deze tekst door jouw bijdrage. Vergeet dit dan niet te melden op de beoordelingslijst.

Pas als het artikel volledig is herschreven of de auteursrechtensituatie is opgehelderd kan dit sjabloon verwijderd worden. Geef dit aan op de lijst door het toevoegen van de reden.

(//)

Brouwerij Den Draak was een brouwerij die tot kort na de Tweede Wereldoorlog actief was in Wilsele. Nadien is ze nog een tijdlang ijsfabriek geweest, maar in de jaren zeventig is ze afgebroken. De brouwerij stond tussen wat nu de Vunt, de Vuntlaan en de Overloopstraat is.

Geschiedenis en situeringBewerken

Over de geschiedenis van de brouwerij De Draak is maar weinig bekend. A. Hueber en G.K. Debecker (1969, p. 136) schrijven het volgende:

“Den Draeck”. Deze eerste commerciële bierbrouwerij werd in 1680 opgericht door de familie Geeraerts. De verschillende eigenaars van vader op zoon waren: Peter Geeraerts (rond 1780), Peter Geeraerts (zoon), burgemeester-brouwer (†1847), diens weduwe Barbara Overloop (†1862), hun zoon Jan Frans Geeraerts, pachterbrouwer (†1875), Peter Jan Geeraerts (zoon), burgemeester-brouwer (†1901). Na eerst nog gediend te hebben voor de fabricatie van kunstijs, liggen de gebouwen nu verlaten.

En verder:

“Berg-Bogaerthoeve” en “Trappelooshof”. Tegenover “den Draec” gelegen, hoorde deze hoeve toe aan Peter Corbeels (± 1780). Er was een grote boomgaard aan verbonden, vandaar de naam. In 1812 werd het woonhuis verbouwd en kreeg de naam “Trappelooshof”. Het kwam in het bezit van de familie Van der Elst en wisselde van eigenaar (Geeraerts-Ravoet) rond 1915.

Deze tekst is nogal kort en blijkt zelfs niet helemaal te kloppen.

Volgens de bevindingen van Patrick Trio, die de stamboom van de familie Geeraerts heeft opgezocht, is het zeer waarschijnlijk dat niet de familie Geeraerts de brouwerij heeft opgericht, maar dat zij is ingetrouwd in een andere brouwersfamilie die al actief was voor 1680. Uit die stamboom blijkt dat de familie Geeraerts al sinds de 15e eeuw in Kessel-Lo woonde. De Geeraertsen stonden vermeld in de registers van de parochie “Sint-Michiel, Leuven” die eigenlijk het huidige Kessel-Lo omvatte.

Wij weten dat Henricus Geeraerts (1710-1776) uit Kessel-Lo in 1739 huwde met Anna De Neuter (ca 1715-1790) uit Wilsele. Wij weten dat Petrus Geeraerts (1749-1829) uit Kessel-Lo rond 1783 huwde met Joanna Goossens (1766-1804) uit Wilsele. Anderzijds weten we uit een volkstelling dat er in 1693 een Henricus Goossens heeft geleefd in Wilsele als “pachter, brouwer, herbergier” die met een Anna De Neuter getrouwd was. Aangezien in die tijd onze parochie dun bevolkt was is de kans zeer groot dat die Joanna Goossens een kleindochter was van deze brouwer Henricus. Vóór Petrus Geeraerts is nergens een van zijn voorouders – en de stamboom is gereconstrueerd tot bij Valentinus Geeraerts (circa 1588-1649) – als “brouwer” bestempeld.

Het laat zich dus raden dat hij is ingetrouwd bij de familie De Neuter die in Wilsele reeds een (kleine?) brouwerij-herberg bezat. Misschien heeft hij wel de naam “De Draeck” gegeven aan “Deze eerste commerciële bierbrouwerij ... in 1680 opgericht”, maar vermoedelijk werd er dus toch al eerder in Wilsele gebrouwen.

Zeker is wel dat sindsdien de familie Geeraerts De Draeck heeft beheerd en uitgebouwd tot een belangrijke brouwerij. De firma genoot, zeker tot voor de tweede wereldoorlog, een wijde faam. Zij kon op één rij gezet worden met haar concurrenten uit de omliggende gemeenten: Mena (Rotselaar), Jack-Op (Werchter), De Sleutel (Betekom), De Hoorn en La Vignette (Leuven) waaruit Stella Artois is gegroeid en verschillende anderen. Veel arbeiders hebben er nooit gewerkt, maar het gebouwencomplex oogde alleszins indrukwekkend.

De brouwerij was gelegen aan een bocht in de Vunt, langs de Puttebroekstraat nr.6, sinds 5 juni 1947 Louis Woutersstraat en recent Vuntlaan geheten. Dwars op de straat stond het imposante woonhuis met ervoor een bakhuis dat eind jaren twintig omgevormd werd tot een elektriciteitskabine. Langs de straatkant stonden dan nog de stallingen en dwars daarnaast een grote schuur. Achter het woonhuis een complex van industriële gebouwen met een schouwpijp van 26 m en allerhande aanhorigheden. De binnenkoer achter het woonhuis werd, behalve door de schuur, nog begrensd door een karrenkot en andere stallingen. Verder bezat de brouwerij nog een grote moestuin en boomgaard. Het hele complex was ruim een hectare groot. Behalve dit complex bezat de familie Geeraerts nog andere goederen en gronden in Wilsele, onder andere het reeds vernoemde Trappelooshof aan de overkant van de straat. In een kadasterplan van 1860 wordt het goed van Geeraerts (weduwe Petrus) in Wilsele beschreven op 11,23 hectare. Geen enkel cijfer over omzet is tot ons gekomen, maar dat er ooit grote hoeveelheden bier moeten geproduceerd zijn mag blijken uit de omvang van de fabriek. Verschillende foto’s, vooral van prentkaarten, laten daarover weinig twijfel. Rond 1900 zullen er weinig zulke imposante industriële complexen gestaan hebben in onze contreien. In het gemeentearchief zit nog een plan dat de brouwerij in 1945 heeft ingediend voor een onderzoek “commodo et incommodo”. Daaruit blijkt dat er toen drie brouwketels stonden en een reeks gistingstanks voor samen wel 370 hl.

Vaten en flessenBewerken

Vroeger werd het bier alleen op kleine houten vaten getrokken. Die werden dan met paard en kar uitgevoerd naar cafés en particuliere klanten. Vaak kwamen klanten uit de buurt ook gewoon met een kruiwagen een vat halen. (Overigens namen sommige klanten meteen ook vloeibare gist mee vanuit de brouwerij om daar thuis brood mee te bakken.) Om dat vatenbier te gebruiken moest men een houten stopsel – de “tap” – uit een gat trekken en er een kraantje op plaatsen. Pas in het begin van de 20e eeuw is men bier op flessen gaan trekken. In brouwerij de Draak is dat het werk geweest van David Van Malcot. Hij kreeg in een stal van de brouwerijhoeve ruimte om te bottelen en hij voerde dan zelf bakken met flessen tot bij de klanten in de streek.

Later kwamen er zo meer bierstekers in de streek. Het bier werd dan door de brouwerij in grote vaten (100 l) tot bij hen gevoerd en zij zorgden thuis voor het bottelen en nadien ook voor het leveren aan huis, onder hun eigen naam. Het ging dan om groene flessen van 75 of 33 cl die mechanisch werden gesloten met een beugelstop. In het begin merkten de bierstekers hun flessen gewoon met een streep verf, maar al spoedig ontstonden er flessen met een opschrift in reliëf en kort daarna werden er ook etiketten op geplakt. Het was al na 1940 – in de oorlog dus – dat De Draak zelf een bottelarij heeft geïnstalleerd. Vanaf toen werden de flessen gezandstraald met de firmanaam. Men is dan ook flesjes van 25 cl met kroonkurken gaan gebruiken.

Het bierBewerken

In het begin van de 20e eeuw moet de brouwerij haar hoogdagen beleefd hebben. We weten dat begin de jaren dertig nog bier werd uitgevoerd tot in Gilly, nabij Charleroi, en Wiekevorst. De Geeraertsen zijn rond die tijd ook meerdere soorten bier beginnen brouwen. Voorheen maakte men in Den Draak, zoals elders, een soort blond bier van hoge gisting dat nu eerder als tafelbier zou bestempeld worden. Daar zat trouwens ook geen “acied” (koolzuur) in zoals nu.

De brouwerij beschikte voor de fabricatie over wel 5 waterputten waarvan 1 tot 25 meter diep. De mout werd gehaald in de mouterij Dreyfus te Leuven en er werden ook twee soorten hop aangewend. Naast dat blonde bier werd evenwel ook een donker type gemaakt, gewoon door aan het blonde bewerkte suiker toe te voegen die onder andere in Brugge werd gehaald. Door toevoeging van die “bruine siroop” werd dat donkere bier zelfs populairder dan het blonde. In de jaren dertig werd er nog een ander blond bier gebrouwen, iets straffer, de “Kwik”, volgens de trend van die tijd toen het zogenaamde pilstype opgang maakte in ons land. Dat biertje werd dan wel vooral op café gedronken.

Overgang naar bieren van brouwerij HaachtBewerken

Eind van de jaren dertig in vorige eeuw begon de brouwerij naast haar eigen brouwsel bier in te voeren van brouwerij Haacht en werd zelf biersteker. Was dit om capaciteitsredenen? Waren er problemen met het nieuwe biertype? Had het te maken met de economische crisis van de jaren dertig? Vele brouwerijen hadden het toen moeilijk. België telde in 1900 ongeveer 3200 brouwerijen – dat is zowat één per gemeente – en 185.000 cafés. Na de Eerste Wereldoorlog was dit gezakt tot respectievelijk 2.100 en 150.000. Na de Tweede Wereldoorlog daalde dit tot 750 en 86.000.

Alleszins werd het zelf brouwen voor De Draak minder en minder winstgevend. Om door te gaan moesten er meer klanten komen en grote investeringen gebeuren. En het staat vast dat De Draak op een bepaald moment problemen heeft gehad met een technische omschakeling (wellicht n.a.v. de lancering van het blonde “Wils-Ale”!?) Er zijn toen zware investeringen gebeurd in ketels en ander materiaal die mislukt zijn. Het was bovendien de tijd dat de concurrentie feller werd en de meeste brouwerijen – om niet te zeggen allemaal – vroeg of laat een schaalvergroting moesten doorvoeren. Fusioneren, stoppen, overnemen. De Draak ontsnapte er niet aan. Er werd zelfs verteld – maar daar is nergens een bevestiging van gevonden – dat de Mena hier een rol heeft gespeeld. Toen in de jaren dertig de brouwerijen in de streek overschakelden naar het blonde Pilstype, was er een ingenieur uit Tsjechië, Zekl, die daarvoor naar Rotselaar gekomen was. Hij zou, na zijn taak bij de Mena, ook die klus komen klaren bij Den Draak en daar, om concurrentiële redenen, sabotage gepleegd hebben. Maar dat is mogelijk slechts een fabeltje.

Feit is dat de invloed van Haacht alsmaar groter werd. Eerst werd er bier van Haacht ingevoerd in grote vaten. Dat werd versneden tot verschillende types bier en onder de naam De Draak verkocht. De populaire “Wils-Ale” was toen eigenlijk “pils nr. 3” van Haacht. Ondertussen brouwde men zelf nog verder doch die eigen activiteit werd langzaam beëindigd. Op den duur werd er nog maar om de veertien dagen gebrouwen en kort na de Tweede Wereldoorlog, omstreeks 1945 dus, is De Draak gestopt met brouwen. Ondertussen was er echter wel een bottelarij geïnstalleerd en die is nog actief gebleven tot ongeveer 1952, weliswaar met bier dat toen van Haacht kwam. En zelfs toen de bottelarij stopte, is De Draak een “bierhuis” gebleven want er kwam een officieel depot van de bieren van Haacht. Twee zonen van Rik hebben dat depot uitgebaat in de kelders van de brouwerij. Jef en Jean “van Den Draak” zijn nadien nog jaren werkzaam geweest als bierstekers in respectievelijk Wilsele en Holsbeek.

Omgekeerd aan bovenstaande evolutie is er ook een korte periode geweest dat juist een andere brouwerij bij De Draak kwam brouwen. René Smets, van de Biertoren in Rotselaar (de brouwerij in toren Ter Heide) en nog een ver familielid van de Geeraertsen, is op een bepaald moment wegens capaciteitsproblemen komen aankloppen in Wilsele. Hij heeft daar een tijdje gebrouwen maar is later met heel de firma naar Kampenhout getrokken waar hij groter en beter geïnstalleerd was.

IJsfabriek en eindeBewerken

Ondertussen was er nog een andere activiteit komen opzetten. De brouwerij had immers een beperkte productie van ijs gehad. Dat was nodig voor de koeling in het brouwproces, maar van langsom kwam er ook meer en meer vraag naar ijs voor koeling bij de klanten. Zodanig zelfs dat men van de bevriende brouwerij Haacht een grote ijsbak en -machine overnam om ijs te produceren voor de verkoop. Dit is begonnen kort na de oorlog maar heeft ook slechts een tiental jaren geduurd. Rond die tijd kwam namelijk de frigo opduiken en binnen de kortste keren waren cafés en particulieren voorzien van deze elektrische koeling. Gedurende een vijftiental jaren heeft die productie goed gedraaid – tijdens de hete zomer van 1959 was de Draak een ware toevlucht! – maar in het begin van de jaren zestig is men ook daar mee gestopt.

Toen dan de zoons het bierdepot in 1960 verplaatsten naar een huis verderop in de Louis Woutersstraat waren er geen activiteiten meer en sinds 1971 stond ook het bijhorende woonhuis verlaten. De firma, die sinds 1925 een SV was en in 1956 een NV werd, is pas officieel ontbonden in 1978, maar lag dan al enkele jaren te verkommeren. Verval, vandalisme, leegroof en ten slotte een officiële ontruiming en afbraak waren het gevolg. Memorabel element in dit proces was het neerhalen van de grote fabrieksschouw in 1972. Daarvoor was de genie van het leger naar Putkapel afgezakt en een menigte toeschouwers is dat komen meemaken. Daarna werden de gronden verkaveld en sindsdien rest er niets meer van het eens zo bloeiende industriële complex. Van de vroegere bierglorie blijven alleen nog enkele souvenirs en herinneringen. In de buurt verwijzen wel twee straten naar de vroegere brouwerij: de Draaklaan en de Petrus Geeraertslaan.