Hoofdmenu openen

Brits-Indië

Britse kolonie in Indisch subcontinent, 1858-1947
(Doorverwezen vanaf Brits India)

Brits-Indië (British Raj) was tot 1947 een Britse kolonie. Het omvatte de huidige landen India, Sri Lanka, Pakistan, Bangladesh en delen van Myanmar (Birma). Het vormde het zwaartepunt van het Britse koloniale rijk.

British India
Indian Empire
Kolonie van het Verenigd Koninkrijk
 Britse Oost-Indische Compagnie
 Mogolrijk
 Koninkrijk Mysore
 Maratharijk
 Sikhrijk
1858 – 1947 Dominion India 
Dominion Pakistan 
Brits-Birma 
Kolonie Aden 
Straits Settlements 
British Raj Red Ensign.svg Star-of-India-gold-centre.svg
(Details)
Kaart
Brits-Indië in 1860
Brits-Indië in 1860
Algemene gegevens
Hoofdstad Calcutta (1858-1912)
Delhi (1912 en 1931)
New Delhi (1931-1947)
Oppervlakte 4.235.530 km²
Talen Engels, Hindi
Religie(s) Hindoeïsme, islam
Volkslied God Save the Queen of God Save the King
Regering
Regeringsvorm Britse kolonie, keizerrijk
Dynastie Huis Saksen-Coburg en Gotha
Huis Windsor
Staatshoofd Koning(in) van het VK (1858-1876)
Keizer(in) van Indië (1876-1947)
Vertegenwoordigd door een onderkoning

Het gebied werd tot 1858 onder een handvest bestuurd door de Britse Oost-Indische Compagnie. Vanaf 1876 regeerde koningin Victoria deze kolonie niet meer als koningin van het Verenigd Koninkrijk en het Britse Rijk, maar nam zij ook de titel keizerin van India aan. Men spreekt van 1876 tot 1947 dan ook wel van het keizerrijk India. Victoria regeerde overigens niet zelf; een onderkoning trad op als haar plaatsvervanger. Deze maakte op zijn beurt weer gebruik van de macht van Indiase adel (radja's en maharadja's). Mede door deze afgedwongen samenwerking lukte het de Britten India, waarvan de bevolking vele malen groter was dan die van het 'moederland', onder controle te krijgen.

Een groot deel van Brits-Indië bleef dus door inheemse vorsten bestuurd worden. Zij werden bijgestaan en in de gaten gehouden door Britse bestuursambtenaren. Hoewel de vorsten soms zelfs een eigen leger en luchtmacht bezaten, was hun onafhankelijkheid door verdragen en de dominante positie van de Britten sterk ingeperkt.

Inhoud

Komst van de EuropeanenBewerken

Portugal was het eerste Europese land dat om Kaap de Goede Hoop zeilde en India bereikte. Zij vestigden daar de kolonies Bon Bahia (het huidige Bombay en Goa. In 1600 werd de Britse Oost-Indische Compagnie opgericht die moeilijk voet aan de grond kreeg in Oost-Azië en zich daarom met name op het Indiase subcontinent richtte. In 1676 vestigden ook de Fransen zich aan de oostkust van India bij Pondicherry, ten zuiden van Madras. Ook de Nederlandse Vereenigde Oostindische Compagnie vestigde zich in India, in Malabar aan de zuidwestelijke kust en in de Bengalen, hedendaags Bangladesh.

 
Robert Clive ontmoet Mir Jafar na afloop van de Slag bij Plassey

Destijds besloeg het Mogolrijk het grootste deel van het Indiase subcontinent. Begin 18e eeuw raakte dit rijk in verval. Vanuit het westen werd het Mogolrijk aangevallen door de Perzen die in 1739 Delhi innamen en vanuit het zuiden door het Maratharijk dat later een groot deel van het Mogolrijk zou innemen. Voor de Fransen en Britten was dit de kans om hun gebieden uit te breiden, ofwel met geweld ofwel door allianties aan te gaan met lokale vorsten. Onder leiding van Robert Clive werd in 1757 de Slag bij Plassey geleverd waarbij de Britten de macht kregen in Bengalen. Met de Vrede van Parijs (1763) wist John Russell (de 4e Hertog van Bedford) uit te onderhandelen dat Groot-Brittannië min of meer het alleenrecht kreeg om het subcontinent in te nemen maar Portugal en Frankrijk mochten hun kustkoloniën wel houden. De Britten breidden hun gebieden uit en deze zouden als bezit van de Company worden geregeerd.

Britse PeriodeBewerken

Nadat de opstand van 1857 was neergeslagen werd een einde gemaakt aan het bestuur door de Company, en vanaf 1863 kwam India rechtstreeks onder het bestuur van de Britse regering te staan. De Britten hervormden, al voor die tijd, het rechtsstelsel en het onderwijssysteem. Hiermee was onder meer Thomas Macaulay belast, die tussen 1834 en 1838 het door hem inferieur geachte traditionele stelsel, met als talen Sanskriet of Perzisch, verving door een op het Britse systeem geschoeid systeem, met als voertaal Engels. Rond 1850 werd er ook een begin gemaakt met de bouw van een spoorwegnet door het subcontinent, dat nog altijd een van de meest zichtbare erfenissen van het Britse bewind is. Een andere erfenis zijn de grote irrigatiekanalen. In de loop van de 19e eeuw hebben de Britten hun Aziatische bezittingen zelfs nog uitgebreid met Opper- en Neder-Birma (het zuidelijke deel van het huidige Myanmar), Noordoost-India en het eiland Ceylon, wat de Mogols nooit gelukt was. Ceylon viel overigens onder een afzonderlijk Brits koloniaal bewind, vanaf 1937 ook de Birmese delen. Ook Singapore viel tot 1867 onder India. Tot 1947 werd India geregeerd als een onderdeel van het Britse rijk. In deze periode was Brits-Indië een land waar grote verdeeldheid heerste. Dat kwam mede doordat de Britten de gebruiken van de Indiërs niet altijd eerbiedigden. De Britten veroorzaakten veel onrust door bijvoorbeeld heilige koeien te slachten en onreine dieren te eten. In 1812 hadden de Britten de weduweverbrandingen verboden maar dit gebruik bleef nog lange tijd bestaan. Er was veel onvrede onder Indiërs. Dit werd ook gevoed door de terugkerende hongersnoden.

 
Delhi Durbar van 1911 met koning George V en koningin Mary

Om zo'n groot gebied met zo veel mensen te regeren maakten de Britten gebruik van legereenheden bestaande uit Indiërs. Deze legereenheden werden ook buiten India ingezet om gebieden te veroveren en later zelfs te dienen aan de Europese fronten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Grote delen van India werden geregeerd door lokale vorsten, de Maharadja's, in ruil voor trouw aan de Britten en belastingafdracht. Deze Maharadja's werden vaak aan Engelse kostscholen opgeleid en eenmaal terug werden ze scherp in de gaten gehouden door Engelsen die aan hun hoven resideerden. Deze gebieden werden vorstenlanden genoemd. Ten behoeve van hun Indische vazallen en het bestuursapparaat stichtte de Britse koningin een aantal Koloniale ridderorden. Het regeren ging allemaal met de nodige bluf en intimidatie gepaard. Zo zou een gouverneur eens gezegd hebben dat als alle Indiërs een hand met zand naar een Brit zouden gooien de Britten levend begraven zouden worden. Zo werd een paar keer een grote Delhi Durbar (optocht) gehouden waarbij de Britten hun macht en rijkdom toonden. Dit werd ook wel Terror in fancy dress genoemd.

De eerste handelaren die naar India kwamen hadden de gewoonte om zich aan te passen, de kleding en de gebruiken over te nemen en in sommige gevallen zelfs een harem te nemen. Een voorbeeld is minister-resident David Ochterlony die met zijn dertien concubines avondwandelingen maakte rond het Rode Fort in Delhi elk op een eigen olifant. Met het Victoriaans tijdperk werd dit anders en wilden de Britten niet alleen het land maar ook de maatschappij aanpassen naar de ideeën van het puritanisme. Missionarissen kwamen naar India en er verrezen aparte dorpen met bungalows (wat een leenwoord uit het Gujarati is) en hill stations waar de Britten zich afzonderden en aan hun eigen levensstijl vasthielden.

 
Het Rashtrapati Bhavan, de zetel van de onderkoning van India in de planmatig aangelegde hoofdstad New Delhi. Tegenwoordig is het de residentie van de President van India

Omdat in de periode van de Britse overheersing van India elders in de wereld de slavernij werd afgeschaft, werden er veel Indiërs geronseld om te gaan werken als contractarbeider in plaats van de Afrikaanse slaven op de plantages in andere Britse koloniën, maar ook in de Nederlandse kolonie Suriname. In 1872 werd een traktaat gesloten door de Nederlandse regering met de Britse regering. Dit werd door koningin Victoria ondertekend op 10 februari 1872; koning Willem III der Nederlanden bekrachtigde het zes dagen later. Op 5 juni 1873 arriveerde het eerste schip met Brits-Indische contractanten, de Lalla Rookh, in Suriname.[1]

Op de achtergrond speelde ook The Great Game, een smeulend conflict tussen de Britten en het Keizerrijk Rusland over de verovering van Centraal-Azië. In de 19e eeuw werd het subcontinent met behulp van driehoeksmetingen opgemeten door de Great Trigonometrical Survey. Tot 1912 was Calcutta de hoofdstad, daarna Delhi en vanaf 1931 de planmatig aangelegde stad New Delhi.

DekolonisatieBewerken

Na de Tweede Wereldoorlog was het Britse Rijk vooral geconcentreerd op zaken die zich dichter bij huis afspeelden. Daarom was het Rijk niet voorbereid op de opkomst van antikoloniale nationalistische bewegingen in hun kolonies. Een voornamelijk geweldloze opstand onder Mahatma Gandhi en Jawaharlal Nehru vormde een onderdeel van de weg naar de onafhankelijkheid van Brits-Indië. Hoewel zij in het westen als de grote helden van de onafhankelijkheid worden gezien waren Chandu SkeQar Azad en zijn groep volgens de Indiërs zelf de echte helden. Uddam Singh, Chandu SkeQar Azad en Bhagat Singh leidden met hun groep de onafhankelijkheid van Brits-Indië in 1947. Het Indische subcontinent werd door de Britten verdeeld in de seculiere staat India en de kleinere moslimstaat Pakistan. Bangladesh, voorheen Oost-Pakistan, werd in 1971 onafhankelijk van Pakistan.

Na 1947Bewerken

De onafhankelijkheid van Brits-Indië in 1947 betekende het einde van een 40 jaar durende nationalistische strijd. Het land deelde zich uiteindelijk wel in India en Pakistan, nadat burgeroorlogen naar aanleiding van de Deling van Brits-Indië minstens een half miljoen levens hadden gekost en in totaal circa 7 miljoen vluchtelingen in beide richtingen. De heftige religieuze spanningen leidden in januari 1948 tot de moord op de grote inspirator van deze strijd, Mahatma Gandhi, omdat die te toegeeflijk zou zijn geweest tegen de moslims. Het door de Britten aanvaarden van India als een republiek in 1949 wordt gezien als het begin van het moderne, postkoloniale Gemenebest.

Provincies van Brits-IndiëBewerken

Brits-Indië had vlak voor de onafhankelijkheid in 1947 zeventien provincies:

Zie ookBewerken