Box 3

Box 3 (belastbaar inkomen uit sparen en beleggen) van de Nederlandse inkomstenbelasting

In de Nederlandse Wet inkomstenbelasting 2001 is belastbaar inkomen uit sparen en beleggen een categorie inkomsten. Deze vormt box 3 in het boxenstelsel van de wet.[1] Deze inkomsten bestaan uit een forfaitair (fictief) rendement op spaartegoeden en andere bezittingen. Hierover wordt belasting geheven: de vermogensrendementsheffing. Deze verving vanaf 2001 het oudere stelsel van inkomstenbelasting over werkelijke inkomsten en aanvullend een vermogensbelasting.

Het forfaitaire rendement was van 2001 tot en met 2016 een vast percentage: 4%. De vermogensrendementsheffing kwam hiermee uit op 1,2%. Vanaf 2017 werd het fictieve rendement berekend op basis van een fictieve indeling van het vermogen in spaargeld en beleggingen, afhankelijk van de hoogte van het vermogen, en een heffing over de fictieve beleggingen ongeacht het soort, gebaseerd op het historisch gemiddeld behaalde rendement op de gemiddelde mix van beleggingssoorten.

Wegens een arrest van de Hoge Raad bevindt box 3 zich in juni 2022 in een overgangsfase naar een regeling op basis van de werkelijke vermogensmix. Over de belastingjaren 2021 en 2022 geldt per belastingjaar het laagste van de heffing volgens de oude regeling en die volgens de nieuwe regeling, het Besluit rechtsherstel box 3.[2][3] Hierdoor worden spaarders met weinig ander vermogen dan banktegoeden ontzien. Met Prinsjesdag 2022 kwam er een wetsvoorstel voor de wettelijke bevestiging (codificatie) van dit besluit.

Waar gesproken wordt over rendementen en waardeontwikkelingen worden die in euro's bedoeld, dus niet gecorrigeerd voor inflatie.

Vermogen in box 3Bewerken

Het gaat om vermogen dat geen bron is van inkomen in box 1:

of box 2:

VermogensbestanddelenBewerken

De rendementsgrondslag is de waarde van de banktegoeden, plus die van overige bezittingen, verminderd met het bedrag van de schulden. Voor elk van deze vermogenscategorieën is er een forfaitair rendementspercentage, dat voor de banktegoeden en de schulden verschillend is in de oude en de nieuwe regeling.

De in de aangifte over 2021 onderscheiden subcategorieën van vermogen [4] worden als volgt ingedeeld in de drie hoofdcategorieën:

  • vermogenscategorie banktegoeden (in de aangifte genoemd 'Bank- en spaarrekeningen'); omvat ook die in vreemde valuta; het betreft betaalrekeningen, spaarrekeningen, spaardeposito's en de spaardelen van beleggingsrekeningen (deposito’s als bedoeld in artikel 1:1 Wft en daarmee naar aard en strekking overeenkomende buitenlandse deposito’s), met uitzondering van (al of niet vrijgestelde) banktegoeden die vallen onder het begrip groene beleggingen
  • vermogenscategorie 'overige bezittingen'
    • beleggingen zoals aandelen, obligaties, opties, winstbewijzen (rechten op een aandeel in de winst van een bedrijf, los van aandelenbezit), en het niet-vrijgestelde deel van groene beleggingen
    • onroerende zaken (in de aangifte genoemd 'Woningen en andere onroerende zaken'), met uitzondering van het hoofdverblijf van de belastingplichtige
    • niet-vrijgestelde deel van kapitaalverzekeringen[5]
    • rechten op periodieke uitkeringen
    • nettolijfrente en nettopensioen die niet zijn vrijgesteld
    • overige bezittingen (deze aangiftecategorie moet niet verward worden met de omvangrijker vermogenscategorie met dezelfde naam), onder meer:
    • Vorderingen; deze laatste omvatten tegoeden bij niet-banken (personen en andere instellingen dan banken), bijvoorbeeld uitgeleend geld, geld dat men tegoed heeft van een instelling of bedrijf, een vaststaande erfenis van een overleden persoon die men nog niet ontvangen heeft, of een door een ander verstrekte schenking_op_papier;[6][7] een daadwerkelijk of latent recht op teruggave van een belasting waarop de AWR van toepassing is, is niet belast
  • vermogenscategorie schulden (in de aangifte genoemd 'Hypotheken en andere schulden'), alleen het deel boven de drempel

Contant geld (alleen het deel boven de vrijstelling) wordt bij het rechtsherstel (nieuwe berekening) ingedeeld in de vermogenscategorie 'overige bezittingen', maar in het aanhangige wetsvoorstel Wet tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen in overeenstemming te brengen met het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (Overbruggingswet box 3)[8] in de vermogenscategorie banktegoeden, ook als het in buitenlandse valuta wordt aangehouden, zodat een koersresultaat kan worden behaald. Voor het totale bedrag van contant geld, elektronisch geld in de vorm van een chipkaart, en vermogensrechten die zijn bestemd voor het doen van consumentenaankopen zoals cadeaubonnen, is er een vrijstelling (2021: € 552; 2022: € 560). In het in 2026 in te voeren systeem is de vrijstelling voor contant geld niet meer nodig voor zover deze vrijstelling contant geld in euro’s betreft omdat in dat geval geen sprake is van rendement.[9]

De nieuwe regeling is zodanig dat elke aangiftecategorie in zijn geheel in één vermogenscategorie wordt ingedeeld; er zijn in de aangifte bijvoorbeeld geen aparte gegevens opgevraagd voor aandelen en obligaties, en voor de aangiftecategorie 'overige bezittingen' hoeft slechts één totaalbedrag te worden ingevuld. Er wordt zo voorkomen dat er over 2021 opnieuw aangifte moet worden gedaan, behalve als fiscale partners de verdeling tussen hen willen wijzigen.

Als zodanig erkende groene beleggingen zijn tot een bepaald bedrag (2021: € 60.429; 2022: € 61.215) vrijgesteld (daarnaast is er een speciale heffingskorting voor groene beleggingen van 0,7%). 'Groene beleggingen' kunnen ook groene spaardeposito's zijn, maar bij overschrijding van het maximumbedrag wordt deze overschrijding bij het rechtsherstel (nieuwe berekening) ingedeeld bij overige bezittingen. Via een verzoek tot ambtshalve vermindering waarin een belanghebbende aannemelijk maakt waaruit zijn groene beleggingen bestaan en hoe de vrijstelling moet worden verdeeld over beleggingen en sparen kan dit in voorkomende gevallen worden gecorrigeerd. In het aanhangige wetsvoorstel Overbruggingswet box 3 worden "groene bezittingen" (nog steeds "groene beleggingen" genoemd) ingedeeld in groene banktegoeden en groene overige bezittingen. Bij de huidige forfaitaire rendementen is het belastingvoordeel van groene banktegoeden ten opzichte van andere banktegoeden klein. Voor wie groene bezittingen heeft met een grotere waarde dan is vrijgesteld is het wel gunstig dat de vrijstelling zoveel mogelijk geldt voor de groene overige bezittingen, en alleen voor het eventuele resterende vrijstellingsbedrag voor de groene banktegoeden.

Vrijgesteld is de waarde van overlijdensrisicoverzekeringen met een waarde van minder dan een bepaald bedrag (2021: € 7348, 2022: € 7444).[5] Deze zijn vaak bedoeld als uitvaartverzekering, eventueel in natura.[10] In totaal mag de waarde niet meer zijn dan het genoemde bedrag. Als de waarde wel meer is wordt niets vrijgesteld, maar overlijdensrisicoverzekeringen met een waarde van het genoemde bedrag of meer vallen hier helemaal buiten. Roerende zaken (zoals auto's en vaartuigen) voor eigen gebruik[11] en kunstvoorwerpen worden in het algemeen niet tot het vermogen gerekend. Voor het tegoed op de levensloopregeling geldt een algehele vrijstelling tijdens de gehele looptijd.

De categorie schulden in de aangifte omvat bijvoorbeeld ook hypotheekschulden waarvan de rente niet aftrekbaar is in box 1, een aan een ander verstrekte schenking op papier, een betaalrekening met een negatief saldo en een nog niet verrekende betaling met een credit card. Belastingschulden (behalve voor erfbelasting) tellen niet mee en de waarde van de overige schulden komt alleen in aanmerking voor zover deze in totaal meer bedraagt dan de doelmatigheidsdrempel voor kleine schulden (2021 en 2022: € 3200). Wie (als het fictieve rendement op banktegoeden in het volgende jaar naar verwachting niet verwaarloosbaar is) wil voorkomen dat er op de peildatum een niet aftrekbare latente inkomstenbelastingschuld is, kan zo nodig tijdig[12] een (eerste of gewijzigde) voorlopige aanslag aanvragen over het lopende jaar (omzetting van een materiële belastingschuld in een formele belastingschuld, die vervolgens betaald kan worden).

Vanaf het overlijden van een erflater gelden als bezittingen van de erfgenaam het betreffende aandeel in de nalatenschap, ook al is die nog niet verdeeld, en als bezittingen van de legataris de waarde van het legaat (als het nog niet is ontvangen is het een vordering). Nog niet betaalde erfbelasting is zoals gezegd aftrekbaar.

De verplichting van ouders om hun kinderen te onderhouden geldt voor de ouders niet als schuld en voor de kinderen niet als bezitting.

De peildatum is 1 januari van het betreffende belastingjaar. Bij de gebruikelijke aangifte een jaar later moet dus niet het vermogen op de meest recente 1 januari worden opgegeven, maar het vermogen op 1 januari een jaar eerder. (Ook mag als peildatum één dag eerder worden gekozen, 31 december.) Hierdoor zal het minder vaak voorkomen dat de gegevens nog niet binnen of nog niet vergaard zijn, en dat men uitstel moet aanvragen.[13] Recentere gegevens (nl. over de loop van het belastingjaar) die wel opgegeven moeten worden zijn de bedragen van de ingehouden dividendbelasting, omdat deze vaak voorheffingen zijn die op de te betalen belasting in mindering worden gebracht.

RendementBewerken

Per categorie is het fictieve rendement het rendementspercentage toegepast op de waarde. Het totale fictieve rendement is dat van de banktegoeden, plus dat van de overige bezittingen, min het fictieve 'rendement' van de schulden.[14]

Heffingvrij vermogenBewerken

Er is een heffingvrij vermogen, soms heffingsvrij vermogen genoemd (2021: € 50.000, 2022: € 50.650). De grondslag sparen en beleggen is de rendementsgrondslag voor zover die meer bedraagt dan het heffingvrije vermogen.[15]

Het totale fictieve rendement wordt gereduceerd door vermenigvuldiging met de grondslag sparen en beleggen, gedeeld door de rendementsgrondslag. Het resultaat is het voordeel uit sparen en beleggen, iets korter ook voordeel sparen en beleggen genoemd. Een negatieve uitkomst wordt op nul gesteld.

Deze berekening wordt in het gedeelte Overzicht belasting en premies (methode B) van de nieuwe versie van het aangifteprogramma opgesplitst in de volgende stappen. De grondslag rendementsberekening is het fictieve rendement van de bezittingen, verminderd met het fictieve "rendement" van de schulden; een negatieve uitkomst wordt op nul gesteld. Het rendementspercentage is de grondslag rendementsberekening gedeeld door de rendementsgrondslag (als er geen schulden zijn is dit het gewogen gemiddelde van de rendementspercentages van de twee hoofdcategorieën van vermogen); €0/€0 wordt gesteld op nul. Het rendementspercentage wordt naar beneden afgerond op een geheel aantal basispunten. Het resultaat wordt toegepast op de grondslag sparen en beleggen.[16]

Dit systeem wordt aangeduid als het naar rato toerekenen van het heffingvrije vermogen aan hoofdcategorieën van vermogen.[17] Als er schulden zijn dan is er echter niet een factor 1 die wordt verdeeld over kleinere positieve fracties, maar bijvoorbeeld over een factor 100 en een factor -99. Als er bijvoorbeeld (in 2021) geen banktegoeden zijn, maar wel €10.000.000 aan overige bezittingen, en €9.900.000 aan schulden (boven de drempel van €3200), dan komt het genoemde systeem er op neer dat het heffingvrije vermogen van €50.000 'verdeeld' wordt over een vrijstelling van €5.000.000 voor de overige bezittingen, en een bedrag van € 4.950.000 dat van de schulden wordt afgetrokken.

Ook in dit nieuwe systeem geldt dat als de grondslag sparen en beleggen nul is, het voordeel sparen en beleggen nul is. Bij de nieuwe regeling wordt het voordeel sparen en beleggen bij grote bedragen aan overige bezittingen en schuld zoals in het voorbeeld, wel snel groot als de grondslag sparen en beleggen positief wordt. In het voorbeeld is de grondslag rendementsberekening (met in 2021 rendementen van 5,69% en 2,46%) €325.460 en de rendementsgrondslag €100.000, dus de rendementsfactor is 325,46%; toegepast op de grondslag sparen en beleggen (€50.000) geeft dit een voordeel sparen en beleggen van €162.730, ook te berekenen als 5,69% van €5.000.000 min 2,46% van € 4.950.000, is €284,500 - €121.770 = €162.730. Vergeleken met de situatie met dezelfde overige bezittingen, maar een schuld die €50.000 hoger is, waardoor het vermogen €50.000 lager is en daardoor geen belasting verschuldigd is, is de belasting van 31% van €162.730, is €50.446, meer dan 100% van het extra vermogen. Vergeleken met een nog wat lagere schuld is nog steeds voordelig dat de onvoordelige marge van 3,23% tussen 5,69% en 2,46% maar voor ongeveer de helft van de met geleend geld betaalde overige bezittingen doorwerkt, dankzij het heffingvrije vermogen, ook al is dat bedrag in dit geval in verhouding tot de grote bedragen aan bezittingen en schuld gering. Als bij grote bedragen aan overige bezittingen en schuld zoals in het voorbeeld de grondslag sparen en beleggen positief wordt door een relatief kleine toename van de overige bezittingen terwijl de schuld gelijk blijft, heeft dit ongeveer hetzelfde effect op de verschuldigde belasting als het besproken geval van een relatief kleine verlaging van de schuld terwijl de waarde van de overige bezittingen gelijk blijft.[18]

De Wet van 16 december 2020 tot wijziging van enkele wetten houdende aanpassing van de belastingheffing over sparen en beleggen in de inkomstenbelasting (Wet aanpassing box 3)[19][20][21][22][23] heeft het heffingvrije vermogen per 2021 verhoogd tot € 50.000, waarbij de tabelcorrectiefactor geacht wordt al toegepast te zijn. Aangifte van vermogen boven een bepaald lager bedrag (2021: € 31.340, 2022: € 31.747) blijft echter verplicht, omdat zo inzicht wordt verkregen in dit vermogen voor het geval de betrokkene nu of in de toekomst een beroep doet op een inkomensafhankelijke regeling.

De regering stelt voor het heffingvrije vermogen in 2023 te verhogen tot €57.000.[24][25]

Forfaitaire rendementspercentagesBewerken

BanktegoedenBewerken

Er is een forfaitair rendementspercentage voor banktegoeden (2021: 0,061% oud, in combinatie met schulden 0,03%; 0,01% nieuw[26]; 2022: 0,021% oud, in combinatie met schulden -0,01%). Het oude is het gemiddelde rendement op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal drie maanden, in de maanden juli (t-2) t/m juni (t-1). Het nieuwe is het gemiddelde van de maandelijkse percentages op jaarbasis in het kalenderjaar van de gemiddelde rente op deposito’s van huishoudens met een opzegtermijn van maximaal 3 maanden, zoals bijgehouden door De Nederlandsche Bank. Het wordt dus pas na afloop van het belastingjaar vastgesteld.

Overige bezittingenBewerken

Het forfaitaire rendementspercentage voor overige bezittingen (2021: 5,69%[26]; 2022: 5,53%) is het forfaitaire rendementspercentage voor rendementsklasse II voor het desbetreffende kalenderjaar zoals dat tot en met het belastingjaar 2022 al wettelijk geregeld is (artikel 5.2 Wet IB 2001). Het wordt jaarlijks voor jaar t als volgt berekend (herijkt). Het percentage wordt gesteld op de som van 53% van het langetermijnrendement op onroerende zaken, 33% van het langetermijnrendement op aandelen en 14% van het langetermijnrendement op obligaties (de kapitaalmarktrentevoet van de jongste Nederlandse 10-jarige staatsobligatie).[27] Steeds is een rendement de bijbehorende rendementsfactor verminderd met 1 (of uitgedrukt in een percentage: deze uitkomst maal 100%). Voor elke categorie wordt de voor belastingjaar t > 2016 gehanteerde langetermijnrendementsfactor berekend als de 15e-machtswortel uit het product van de 14e macht van de voor belastingjaar t-1 gehanteerde langetermijnrendementsfactor en de betreffende gerealiseerde rendementsfactor (de factor waarmee de waarde vermenigvuldigd is) voor het jaar t-2. Voor de toepassing hiervan voor t = 2017 wordt het langetermijnrendement op onroerende zaken, aandelen en obligaties van het kalenderjaar 2016 gesteld op respectievelijk 4,25%, 8,25% en 4%.

  • Voor onroerende zaken wordt uitgegaan van het CBS-prijsindexcijfer voor Bestaande Koopwoningen.
  • Voor aandelen wordt uitgegaan van de MSCI-index (Europa, bruto, lokale valuta). De startwaarde voor het langetermijnrendement wordt berekend als het gemiddelde van 77 resultaten: het gemiddelde rendement per jaar met als startjaar een willekeurig jaar in de periode 1984-1994 en als eindjaar een willekeurig jaar in de periode 2008-2014.
  • Voor obligaties wordt uitgegaan van de kapitaalmarktrentevoet van de jongste Nederlandse 10-jarige staatsobligatie.

SchuldenBewerken

Voor schulden in box 3 wordt uitgegaan van een forfaitair rentepercentage (2021: 0,161% oud, 2,46% nieuw[26]). Het oude is dat voor spaargeld plus 0,1 procentpunt. Per saldo is het forfaitaire rendement op spaargeld dat voor sparen, verminderd met 0,031 procentpunt. In de nieuwe regeling is het forfaitaire rendementspercentage het gemiddelde van de maandelijkse percentages op jaarbasis in het kalenderjaar van de gemiddelde rente op het totaal aan uitstaande hypotheken van huishoudens, zoals bijgehouden door De Nederlandsche Bank. Het wordt dus pas na afloop van het belastingjaar vastgesteld.

Oude regeling: forfaitaire vermogensmixBewerken

Bij de oude regeling (methode A in de nieuwe versie van het aangifteprogramma) is het forfaitaire rendement slechts afhankelijk van het totale bedrag van de grondslag sparen en beleggen in box 3. Forfaitair wordt de grondslag sparen en beleggen ingedeeld in twee rendementsklassen: de grondslag behoort voor de eerste vermogensschijf (2021: de eerste € 50.000) voor 67% tot rendementsklasse I, voor de tweede vermogensschijf (2021: de volgende € 900.000) voor 21% en voor de rest (de derde vermogensschijf) niet. De rest van de grondslag sparen en beleggen behoort tot rendementsklasse II. Rendementsklasse II betreft verondersteld beleggen. Van rendementsklasse I betreft 131% verondersteld sparen en 31% veronderstelde schuld.

Nieuwe regeling: werkelijke vermogensmixBewerken

De forfaitaire vermogensmix die vanaf 2017 is toegepast is, zo heeft de Hoge Raad in het zogenoemde Kerstarrest van 24 december 2021 bepaald, in strijd met het eigendomsrecht en het discriminatieverbod (verdragenrecht). Oplegging van definitieve aanslagen is daarom in 2022 enkele maanden opgeschort geweest.

Definitieve aanslagen op basis van de voor de belastingplichtige gunstigste van de twee methoden (methode A en B) worden sinds 1 juli 2022 opgelegd met betrekking tot de jaren 2017 tot en met 2021, voor zover er bezwaar is ingediend (voor de jaren 2017 tot en met 2020) en voor iedereen (voor 2021, en in 2023 voor 2022).

Wie op basis van de oude regeling (methode A), dus met de fictieve verdeling over spaargeld en beleggingen over 2021, geld terug krijgt, kreeg dat via een (nadere) voorlopige aanslag, bijvoorbeeld in juni 2022, alvast uitbetaald. Later volgt de definitieve aanslag waarbij de voor de belastingplichtige gunstigste van de twee methoden (methode A en B) wordt toegepast, met eventueel meer teruggave.

De nieuwe methode, methode B, gaat uit van de werkelijke verdeling van het box 3 vermogen van een belastingplichtige) (met 3 categorieën: sparen / overige bezittingen / schulden). Voor elke categorie geldt het percentage zoals dat voor het betreffende jaar is bepaald. Nieuw is dat schulden niet worden afgetrokken van bezittingen, maar een eigen rendementspercentage hebben (dat wil zeggen een verondersteld rentepercentage; de veronderstelde betaalde rente wordt afgetrokken van het veronderstelde rendement op de bezittingen).

Percentages box 3-inkomen:

Soort vermogen		2017	2018	2019	2020	2021
Spaargeld		0,25%	0,12%	0,08%	0,04%	0,01%
Overige bezittingen	5,39%	5,38%	5,59%	5,28%	5,69%
Schulden		3,43%	3,20%	3,00%	2,74%	2,46%

Voor een belastingplichtige met 1.000.000 euro verdeeld over 90% spaargeld en 10% aan uitgeleend geld of contanten (deze worden even hoog belast als beleggingen), zal de nieuwe berekening in 2017 dan zijn: 0,9 x 1 miljoen x 0,25% plus 0,1 x 1 miljoen x 5,39% is 7.640 euro. Rendementspercentage wordt dan 7.640 / 1 miljoen x 100% is 0,76% (want afronding naar beneden). Gezien een heffingsvrij vermogen van 25.000 euro in 2017 is dan het rendementspercentage (1.000.000 - 25.000) x 0,76% = 0,7410%. Wat neerkomt op een voordeel uit sparen en beleggen van 7.410 euro.

Het systeem van een forfaitaire vermogensmix binnen de categorie overige bezittingen (in 2021 53% vastgoed, 33% aandelen en 14% obligaties, hoewel die gebruikt wordt voor de berekening van het forfaitaire rendement voor de hele categorie overige bezittingen) (in 2021 5,69%) blijft gehandhaafd tot een vermogensaanwasbelasting wordt ingevoerd, volgens de planning is dat in 2026.

Methode A is soms voordeliger, bijvoorbeeld als de belastingplichtige uitsluitend belegde en geen schulden had, omdat de oude regeling er dan van uitging dat hij deels spaarde met een zeer klein rendement.

Voor het belastingjaar 2021 zijn er ook bij dezelfde vermogensmix als de forfaitaire, verschillen, namelijk in de rendementspercentages, in het bijzonder bij schulden.

Belastbaar inkomen uit sparen en beleggenBewerken

Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is het "voordeel uit sparen en beleggen" verminderd met het daarvoor in aanmerking komende deel van de persoonsgebonden aftrek. Voor zover de persoonsgebonden aftrek het inkomen uit werk en woning van het kalenderjaar niet vermindert, vermindert de aftrek het belastbare inkomen uit sparen en beleggen van het jaar, maar niet verder dan tot nihil.

HeffingBewerken

Artikel 2.13 IB[28] bepaalde tot en met 2020 dat de belasting op het belastbare inkomen uit sparen en beleggen 30% bedroeg. De Wet aanpassing box 3 (zie boven) heeft dit vanaf 2021 verhoogd tot 31% (volgens het aanhangige Belastingplan 2023 wordt dit 32% in 2023, 33% in 2024 en 34% vanaf 2025[29][25]). Bij de nieuwe berekening is de belasting (afgezien van de reductie door de heffingvrije som) op banktegoeden 31% van het forfaitaire rendement van banktegoeden van 0,01% (2021), is 0,0031%, van de grondslag banktegoeden. De belasting op overige bezittingen komt in de nieuwe berekening voor 2021 uit op 31% van 5.69%, is 1,7639%, van de waarde. Dit geldt dus ook voor contant geld in euro's, hoewel dat geen rendement oplevert (vanaf 2023 is dit anders, dan wordt contant geld gelijkgesteld met een banktegoed).

Bij een schuld (alleen het deel boven de drempel) wordt 31% van de 2,46%, is 0,7626% van het bedrag van de schuld van de te betalen belasting afgetrokken. Anders gezegd, voor zover er een schuld in box 3 tegenover staat is bij de nieuwe berekening de belasting 1,0013% van de waarde van het niet vrijgestelde deel van de overige bezittingen (volgens de oude berekening nul).

Ouderenkorting wordt afgebouwd op basis van het verzamelinkomen, met een afbouwpercentage van 15%. Binnen het afbouwtraject is het effectieve belastingtarief op het (fictieve) belastbare inkomen uit sparen en beleggen dus 46% (2021), waardoor voor ouderen de genoemde percentages binnen het afbouwtraject effectief ongeveer anderhalf maal zo hoog zijn.

IndexatieBewerken

Alle in de wet genoemde bedragen die te maken hebben met box 3 worden geïndexeerd met de tabelcorrectiefactor.

Belang voor andere regelingenBewerken

Het inkomen in box 3 telt soms wel, soms niet mee bij inkomensafhankelijke bijdragen en toeslagen:

Wel bij:

Niet bij:

Indien wel, dan heeft vrijstelling van vermogensbestanddelen niet alleen voordeel voor de inkomstenbelasting, maar via vermindering van het in aanmerking genomen inkomen ook voor de betreffende regelingen.

Men krijgt geen huurtoeslag als het vermogen boven het heffingvrije vermogen ligt, zelfs niet als dit vrijgesteld is voor de inkomstenbelasting.

Bij een vermogenstoets gaat het vaak om de "grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001", maar soms wordt verwezen naar de rendementsgrondslag en het heffingvrije vermogen. Soms wordt de vrijstelling groene beleggingen niet in aanmerking genomen. Soms wordt verwezen naar het voordeel uit sparen en beleggen.

Voor de bepaling van een eigen bijdrage wordt het betreffende vermogen soms gelijkgesteld met een extra inkomen van 8% van dit vermogen, boven op het forfaitaire rendement, zodat in totaal wordt gerekend met een inkomen gelijk aan dat in box 1 en 2 plus 12% van het betreffende vermogen.

Uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 over de jaren 2017 en 2018 (Kerstarrest)Bewerken

De bezwaren tegen de berekening van de box 3-heffing 2017, 2018, 2019 of 2020 zijn aangewezen als massaal bezwaar.[30] Het gaat om bezwaarschriften tegen de definitieve aanslagen inkomstenbelasting die binnen zes weken na de betreffende aanslag zijn ingediend, en de volgende rechtsvraag bevatten:[31][32][33][34][35]

Is de vermogensrendementsheffing, uitgaande van de forfaitaire elementen van het stelsel, in onderlinge samenhang en met inachtneming van het heffingvrije vermogen en het belastingtarief van 30%, op regelniveau in strijd met:
1. artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), zonder dat de schending van de “fair balance” op het niveau van de individuele belastingplichtige wordt beoordeeld; of
2. het discriminatieverbod van artikel 14 EVRM?

Voor 2020 is dit uitgebreid met de vraag of het voordeel uit sparen en beleggen voor zover gesteld op 5,28% van het gedeelte van de grondslag dat behoort tot rendementsklasse II op de juiste wijze is bepaald.

Met het oog op de beantwoording van bovenstaande rechtsvraag door de bestuursrechter in belastingzaken zijn voor de belastingjaren 2017 en 2018 zes zaken geselecteerd. Deze hebben geleid tot uitspraken van rechtbanken. Tegen één van deze uitspraken is sprongcassatie ingesteld.[36]

Op 1 november 2021 bracht de advocaat-generaal (AG) bij de Hoge Raad het advies uit om de bezwaren tegen de sinds 2017 gewijzigde heffing in box 3 massaal toe te wijzen.[37][38] De AG stelt dat bepalingen die in strijd zijn met het EVRM niet mogen worden toegepast (art. 94 Grondwet), en dat de forfaitaire vermogensmix daartoe behoort. De verdeling over de twee rendementsklassen sparen en beleggen zou moeten worden bepaald door de werkelijke vermogensmix van de individuele belastingplichtige. Het systeem van een forfaitair rendement per rendementsklasse zou niet gewijzigd hoeven te worden.

De Hoge Raad heeft op 24 december 2021 uitspraak gedaan (het zogenoemde Kerstarrest), en de betreffende rechtsvraag beantwoord:[39]

Naar de strekking van de Wet IB 2001 moeten buiten de heffing blijven de voordelen die de belastingplichtige niet heeft genoten, maar had kunnen behalen als hij zijn bezittingen daaraan dienstbaar had gemaakt en/of als hij meer geluk had gehad. (...) Voor het met ingang van 2017 geldende forfaitaire stelsel is geen toereikende rechtvaardiging aan te wijzen. Voor degene die, zoals belanghebbende in de onderhavige jaren, door dit forfaitaire stelsel wordt geconfronteerd met een heffing naar een voordeel uit sparen en beleggen dat hoger is dan het werkelijk behaalde rendement leidt dit tot een schending van zijn door artikel 1 EP, in samenhang met artikel 14 EVRM, gewaarborgde rechten.

Merk op dat (bij een gegeven procentueel tarief zoals 31%) deze uitspraak dat hoogstens over het werkelijke rendement belasting mag worden geheven veel verder gaat dan dat de belasting hoogstens gelijk mag zijn aan het werkelijke rendement (wat vooralsnog voor de jaren 2013 tot en met 2016 kort gezegd het criterium is). Wel kan het werkelijke rendement op het heffingvrije vermogen worden meegerekend.

In het individuele proefproces heeft de Hoge Raad bij wijze van rechtsherstel de aanslagen verminderd tot aanslagen berekend naar het lagere werkelijke inkomen uit sparen en beleggen. Daardoor moet de Belastingdienst de aanslagen 2017 en 2018 waartegen belastingbetalers op het onderwerp van de betreffende rechtsvraag bezwaar maakten, opnieuw beoordelen op basis van het werkelijke rendement (dus anders dan volgens het advies van de AG). Van het individuele geval werden de bedragen van het werkelijke inkomen uit sparen en beleggen niet betwist. Daarom heeft de Hoge Raad niet voorgeschreven hoe het werkelijke rendement berekend moet worden. Het gaat daarbij onder meer om de vraag of de fiscus gerealiseerde vermogenswinst (waardestijging gevolgd door verkoop) mag meerekenen, en zo ja, of dat ook mag voor ongerealiseerde vermogenswinst (alleen waardestijging, ook vermogensaanwas genoemd).

Reacties en maatregelen naar aanleiding van het Kerstarrest (algemeen)Bewerken

Dit arrest is volgens staatssecretaris Van Rij bijzonder, ook om de reden dat er direct rechtsgevolg aan gegeven wordt. Het is meteen geldend recht geworden. Dat gebeurt volgens hem bijna nooit. Het is volgens hem misschien vier keer gebeurd, en daarbij ging het om minder grote zaken.[40][41][42]

Op 4 februari 2022, precies binnen de geldende termijn van 6 weken, heeft de Belastingdienst officieel uitspraak gedaan over de massaalbezwaarprocedures over de belastingjaren 2017 en 2018, en meteen ook over de jaren 2019 en 2020: alle ruim 200.000 bijbehorende bezwaarschriften zijn gegrond verklaard.[36][43] Dit betreft een bevestiging dat de regering het oordeel van de Hoge Raad respecteert, maar nog geen toekenning van concrete restitutiebedragen. Binnen zes maanden moest uitvoering gegeven worden aan de gegrondverklaring, dus uiterlijk 4 augustus 2022. Toen moest per bezwaarmaker vastgesteld zijn of daadwerkelijk een restitutie zou worden verleend, en zo ja hoeveel.[44][45]

Dekking voor terugbetalingen en mogelijk lagere belasting bij nieuwe aanslagen moet zoveel mogelijk binnen box 3 gevonden worden. De mogelijkheden hiervoor zijn beperkt, want bij een lager heffingvrij vermogen of inkomen wordt het aantal aangiftes waarbij box 3 een rol speelt vergroot. Er is nog wel de mogelijkheid het tarief van 31% te verhogen. Voor verdere dekking is een optie dat de belasting over beleggingsvermogen in box 2, zoals vastgoed, verhoogd wordt, al kan het soms lastig zijn dat van ondernemingsvermogen in box 2 te onderscheiden.[40][45][46][47][48][49][50]

Wegens de grote aantallen is een zoveel mogelijk geautomatiseerde procedure op basis van al beschikbare gegevens nagestreefd. Daarbij helpt dat vermogensgegevens op de peildata al uitgesplitst in spaar- en beleggingsvermogens beschikbaar zijn, maar er zijn weinig rendementsgegevens.

RechtsherstelBewerken

Met rechtsherstel wordt in dit verband correctie van definitieve aanslagen bedoeld, maar ook aanpassing van de normaal gesproken al definitieve regels en die vervolgens toepassen bij komende definitieve aanslagen.

De uitwerking van het door het Kerstarrest geboden rechtsherstel wordt sinds 1 juli 2022 op basis van het Besluit rechtsherstel box 3[2] toegepast voor wie bezwaar heeft gemaakt (binnen de bezwaartermijn van 6 weken na de definitieve aanslag), en bij een op 24 december 2021 nog op te leggen definitieve aanslag (waaronder elke definitieve aanslag over 2021 en 2022), en bij een aanslag die op die datum nog niet onherroepelijk was omdat die minder dan 6 weken eerder was opgelegd (er was nog tijd om bezwaar te maken, maar dat was niet meer nodig voor rechtsherstel). Deze houdt in dat een nieuwe berekening plaatsvindt, die wel een belastingverlaging tot gevolg kan hebben, maar niet een belastingverhoging. Dit geldt voor de belastingjaren tot en met 2022, omdat daarover de wet al is vastgesteld en niet met terugwerkende kracht voor de belastingplichtige verslechterd kan worden, terwijl een tussentijdse wetswijziging in 2022 ook niet goed mogelijk is. Van Rij liet in januari 2022 weten bij gevallen waarin sprake is van inkomen uit box 3 waar mogelijk tot nader order alleen voorlopige belastingaanslagen te zullen opleggen. Definitieve aanslagen over 2017 (nog niet opgelegde en eventuele correctie) worden wegens de verjaring eind 2022 tijdig daarvoor opgelegd. In januari 2022 zijn zoals gebruikelijk massaal voorlopige aanslagen over 2022 opgelegd. Hierbij kon nog geen rekening gehouden worden met de uitspraak van de Hoge Raad.[51][52][53][54][55][56] De aangifte over 2021 is als gepland begonnen op 1 maart 2022.

Er zijn twee varianten uitgewerkt voor de nieuwe berekening van het rendement, dat de grondslag vormt voor de nieuwe vermogensrendementsheffing. Bij beide varianten wordt een nieuwe forfaitaire berekening gemaakt waarbij wordt uitgegaan van de werkelijke samenstelling van het box 3-vermogen. In beide varianten wordt het heffingvrije vermogen naar rato toegerekend.

Bij de forfaitaire spaarvariant, kortweg ook spaarvariant genoemd (ongeveer hetzelfde als een plan uit 2019 dat toen niet doorging[57][58][59][60]) wordt gewerkt met drie forfaitaire rendementspercentages, voor spaargeld, schulden en overige bezittingen. Voor het rendement op overige bezittingen blijft een meerjarig gemiddelde gehanteerd worden. Het verschil met de oude regeling (wet IB in 2022) is het genoemde uitgaan van de werkelijke samenstelling van het vermogen. Onder andere de AFM vond het ongewenst dat elke vorm van beleggen gelijk wordt belast omdat voor defensief beleggen de belasting dan te hoog is en dit daardoor uiterst onaantrekkelijk, zo niet zinloos wordt.[61][62][63] Onder andere daarom ging het plan niet door. Dit bezwaar geldt echter ook bij de spaarvariant. Een verschil met het eerdere plan is dat daarin het heffingvrije vermogen vervangen werd door een heffingvrij inkomen (indicatie: €400). Het oude plan zou er toe leiden dat mensen die lenen om te beleggen in box 3 zwaarder zouden worden belast (wat goed paste in het kabinetsbeleid om de fiscale bevoordeling van vreemd vermogen te verminderen), behalve als zoveel zou worden geleend dat het vermogen niet boven het heffingvrije vermogen uit zou komen. Voor een belegger zou er echter een abrupte overgang (harde knip) zijn bij overgang van het vermogen van €30.845 naar €30.846, die nog sterker zou zijn voor wie met geleend geld belegde. Bij de spaarvariant geldt deze harde knip niet, maar bij beleggen met geleend geld neemt de verschuldige belasting wel sterk toe als functie van het vermogen als dat beperkt meer is dan het heffingvrije vermogen.

Bij de forfaitaire variant voor alle vermogenscategorieën worden voor alle rubrieken uit de belastingaangifte, spaargeld, onroerende zaken, effecten (aandelen en obligaties), contant geld en vorderingen etc. de forfaits aangepast aan de gemiddelde rendementen voor deze vermogenscategorieën in het betreffende belastingjaar. Dit is relatief gunstig voor de belastingplichtige als dit voor hem het ene jaar uitkomt op een lager aanslagbedrag, wat dan wordt toegepast, maar voor het andere jaar zou uitkomen op een hoger aanslagbedrag, wat zoals gezegd niet kan worden toegepast tot en met belastingjaar 2022. Hier staat tegenover dat een hoog beleggingsrendement een laag spaarrendement kan compenseren, waardoor geen of een mindere verlaging van de aanslag plaatsvindt.[9]

In april was er overleg met de Tweede Kamer. Er was een technische briefing van de vaste commissie voor Financiën,[4][64][65][66] en op 20 april een commissievergadering met een debat,[67][68] dat op 12 mei werd voortgezet.[69]

Op 28 april 2022 is bekendgemaakt dat het kabinet gekozen heeft voor de spaarvariant voor de nieuwe berekening van de aanslagen over de belastingjaren van 2017 tot en met 2022[26][70][71] Voor 2022 geldt het al vastgestelde forfaitaire rendement over 'overige bezittingen' en de nog vast te stellen nieuwe forfaitaire rentes voor banktegoeden en schulden voor dat belastingjaar. Dit is in verband met de tijd gebeurd met een beleidsbesluit, maar aanhangig is het wetsvoorstel Wijziging van het voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 over de kalenderjaren 2017 tot met 2022 door het lager vaststellen van het voordeel in gevallen waarin dat nodig is om het voordeel in overeenstemming te brengen met de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 (Wet rechtsherstel box 3).[72][73][74][75] De rekenhulp van de Belastingdienst[17] toont het voordeel uit sparen en beleggen volgens de oude en nieuwe regeling. De gekozen variant is hierboven voor het belastingjaar 2021 al verwerkt in de beschrijving van de huidige regeling. Zoals gezegd blijft de oude regeling voor dat belastingjaar gelden voor de belastingplichtigen waarvoor dat voordelig is. Bij het herladen van de aangifte toont het gedeelte Overzicht belasting en premies het nieuwe resultaat tot en met Totaal inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen.[76]

De vraag is ook nog of er een tegenbewijsregeling komt (waarbij belastingplichtigen hun werkelijke rendement mogen aantonen).

Verlaging van het belaste rendement verlaagt het verzamelinkomen en kan daardoor drie van de vier toeslagen (de zorgtoeslag, het kindgebonden budget en de kinderopvangtoeslag) verhogen, en ook de ouderenkorting. De betrokkene hoeft hier niets voor te doen. Er zijn ook nog diverse andere inkomensafhankelijke regelingen, waarbij een verlaging met terugwerkende kracht van het verzamelinkomen mogelijk gevolgen heeft.[77]

De herberekening voor bezwaarmakers is in augustus 2022 afgerond. Nieuwe definitieve aanslagen worden uiteraard gelijk op de nieuwe manier berekend. Die over 2021 worden nog in 2022 afgerond.[78]

De inkomstenderving voor de overheid met betrekking tot bezwaarmakers in de belastingjaren 2017 t/m 2020 en potentieel iedere grote spaarder in de belastingjaren 2021 t/m 2024 (vooral 2021 en 2022) wordt volgens de Voorjaarsnota 2022 binnen de kabinetsperiode gedekt door de lasten (met name in box 2 en box 3) vanaf belastingjaar 2023 te verhogen. De afbouw van de algemene heffingskorting wordt volgens het aanhangige Belastingplan 2023 vanaf 2025 gebaseerd op het verzamelinkomen, dus ook het inkomen in box 2 en 3. Voor box 2 worden de lasten hoger door de bredere maatregelen om bij de vennootschapsbelasting de schijfgrens van €395.000 te verlagen naar €200.000, en verder door de doelmatigheidsmarge te verlagen van 25% naar 15%, wat betekent dat een hoger loon voor de dga verplicht wordt. Verder komt er in box 2 een tarief van 26 procent voor de eerste 67.000 euro aan inkomsten per persoon en een tarief van 29,5 procent voor het meerdere. Voor een deel zijn dit structurele maatregelen, dus niet alleen voor het rechtsherstel.

Eventueel gedeeltelijk rechtsherstel 2017 - 2020 voor niet-bezwaarmakersBewerken

Op 20 mei 2022 heeft de Hoge Raad bepaald dat iemand die niet tijdig bezwaar heeft gemaakt, maar op een later tijdstip ambtshalve vermindering aanvraagt, geen recht heeft op rechtsherstel.[79] De regering was van plan het arrest hierover af te wachten, alvorens een herberekening in deze gevallen toe te passen. Voor gevallen zonder recht op rechtsherstel kan de regering eventueel toch de herberekening toepassen, met eventueel de mogelijkheid de doelgroep te beperken, of anderszins een soberder regeling toe te passen. Dit zal dan in een wet worden vastgelegd, zodat juridische risico's worden beperkt (in de technische briefing op 29 april kwam naar voren dat het juridisch niet mogelijk zou zijn om van degenen die geen bezwaar hebben gemaakt, alleen bij nader te definiëren "kleine spaarders" de nieuwe berekening toe te passen[80]). Indien van toepassing wordt dit onderdeel van het pakket Belastingplan 2023 dat op Prinsjesdag 2022 (20 september) wordt ingediend en gepubliceerd.

In het Memo doelgroep herstel box 3 politieke vierhoek 12 april[81][82][83] wordt verduidelijkt dat bij herstel via de belastingaanslag voor de niet-bezwaarmakers, het naar verwachting juridisch onhoudbaar is deze anders te behandelen dan bezwaarmakers. Wel is er de mogelijkheid van een aparte wettelijk geregelde compensatieregeling, zoals die bij de toeslagenaffaire. Daarbij kunnen wel andere regels gelden dan de normale voor bezwaar en ambtshalve vermindering. Een ander verschil is dat de regeling dan valt onder de uitgavenkant van de begroting, waardoor de dekking niet specifiek van box 3 en box 2 hoeft te komen.

Onder meer Mahir Alkaya en zijn partij (SP) willen geen onderscheid tussen bezwaarmakers en anderen, omdat zij dat rechtvaardiger vinden, maar ook wijzen zij erop dat anders mensen tegen allerlei beschikkingen van de overheid voortaan voor de zekerheid bezwaar gaan maken, wat voor de betreffende instanties veel werk geeft.[69]

Indien ervoor wordt gekozen ook rechtsherstel te bieden aan niet-bezwaarmakers en/of aanvullend rechtsherstel per belastingplichtige door toekenning van het recht om tegenbewijs te leveren nodig is, zal volgens de Voorjaarsnota 2022 voor deze aanvullende derving ook aanvullende dekking dienen te worden gevonden.

Op 2 juni was er een tweeminutendebat, dit is een plenair debat waarbij iedere fractie slechts twee minuten het woord krijgt, getiteld Opties voor rechtsherstel box 3.[84] In juli presenteerde Van Rij de volgende opties voor eventueel gedeeltelijk rechtsherstel[85] (beschreven wordt het herstel per belastingjaar waarover geen bezwaar is gemaakt):

  • A. Rechtsherstel volgens de forfaitaire spaarvariant 'met maximering van het herstelbedrag'. Om uitvoeringstechnische redenen wordt formeel het inkomen in box 3 bijvoorbeeld met maximaal € 1667 of € 3333 verlaagd, zodat de aanslag, gezien het destijds geldende belastingtarief van 30%, maximaal respectievelijk € 500 of € 1000 lager wordt.
  • A' Idem, maar de maximale verlaging van het inkomen in box 3 is bovendien afhankelijk van de verhouding tussen het bedrag aan spaargeld en het totale vermogen.
  • B. Volledig rechtsherstel (in de zin van gelijk aan dat voor bezwaarmakers), maar alleen als het box-3-vermogen niet meer is dan een bepaald bedrag, bijvoorbeeld € 200.000. Wie een euro meer heeft krijgt helemaal geen rechtsherstel.
  • C. Uitkering van een vast bedrag, bijvoorbeeld € 500, of een variabel bedrag. Dit wordt buiten het fiscale domein om geregeld, zodat een zelfstandige rechtsgrond wordt gecreëerd. De herstelkosten vallen volgens de begrotingsregels dan onder de uitgavenkant van de begroting, zodat het minder een sigaar uit eigen doos is. Bij een vast bedrag kan dit hoger zijn dan bij volledig rechtsherstel. Om dit te voorkomen zou de uitkering ook aan bezwaarmakers kunnen worden toegekend, bovenop hun rechtsherstel. Bij een variabel bedrag is het bijvoorbeeld € 250 bij een vermogen tot € 100.000 en € 500 per jaar bij een vermogens tussen de € 100.000 en € 200.000, en niets bij een hoger vermogen.
  • D. Verhoging van het heffingvrije vermogen naar bijvoorbeeld € 100.000; bij niet-bezwaarmakers wordt dit toegepast op de oude regeling, bij bezwaarmakers op zowel de oude als de nieuwe regeling (of alleen de oude regeling, dat is niet duidelijk), waarbij dan weer de gunstigste geldt.

Met Prinsjesdag 2022 meldde de regering te kiezen voor helemaal geen compensatie, omdat gedeeltelijke compensatie ingewikkeld is en juridisch mogelijk niet houdbaar, en maatregelen om de gevolgen van inflatie en dure energie te verzachten al veel geld kosten.[86][87][25][88]

OverbruggingswetBewerken

Voor de belastingjaren 2023, 2024 en 2025 is aanhangig het wetsvoorstel Wet tot wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om de berekening van het voordeel uit sparen en beleggen in overeenstemming te brengen met het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 (Overbruggingswet box 3)[8] (eerder ook noodwet en spoedwet genoemd) ter overbrugging van de periode van 2023 tot een vermogensaanwasbelasting wordt ingevoerd, volgens de planning is dat in 2026. Gezamenlijk met de andere wetsvoorstellen in het pakket Belastingplan 2023 is dit voorstel op Prinsjesdag 2022 aan de Tweede Kamer aangeboden.[89]

Het wetsvoorstel is gebaseerd op de voor het rechtsherstel gekozen oplossingen, de forfaitaire spaarvariant, maar dan met de mogelijkheid dat de aanslag hoger is dan volgens het oude systeem.

De overbruggingswetgeving geldt niet zoals eerder gepland twee jaar, maar drie jaar, maar de vraag was al of deze twee jaar juridisch houdbaar zou zijn, laat staan langer, gezien de zwakke punten van de arbitrage en/of de maatregelen om die tegen te gaan, en van het gelijke forfaitaire rendement van zeer uiteenlopende 'overige bezittingen'.[90]

PeildatumarbitrageBewerken

Het volgende wordt voorgesteld:

Indien op de peildatum de waarde van de overige bezittingen van de belastingplichtige als gevolg van zijn handelingen lager is dan de hoogste waarde van zijn overige bezittingen in een aaneengesloten periode van drie maanden die aanvangt voor en eindigt na de peildatum, en tevens op de peildatum de waarde van de banktegoeden[91] van de belastingplichtige als gevolg van zijn handelingen hoger is dan de laagste waarde van zijn banktegoeden in die periode

(als de beide vermogenscategorieën alleen veranderen door aan- of verkoop van overige bezittingen komt dit overeen met verkoop van overige bezittingen vóór de peildatum en/of aankoop erna, tenzij hier met 'zijn handelingen' bedoeld wordt 'zijn handelingen vóór de peildatum', dan is de tweede mogelijkheid niet aan de orde)

worden die handelingen geacht niet te hebben plaatsgevonden, voor zover de waarde van zijn overige bezittingen op enig na de peildatum gelegen moment in die periode hoger is dan op de peildatum

(onder de genoemde voorwaarden komt dit overeen met aankoop van overige bezittingen na de peildatum)

en tevens de waarde van zijn banktegoeden op enig na de peildatum gelegen moment in die periode lager is dan op de peildatum

(idem).

Als de beide vermogenscategorieën alleen veranderen door aan- of verkoop van overige bezittingen en er zowel voor als na de peildatum hoogstens één handeling plaatsvindt (zoals in de voorbeelden in de Memorie van Toelichting) betreft dit alleen het geval van een verkoop ervoor en een aankoop erna. De verkoop ervoor wordt niet in aanmerking genomen voor zover de waarde van de overige bezittingen door de aankoop weer hoger wordt: als de waarde van de aankoop groter is dan die van de verkoop dus helemaal niet, en anders alleen voor hoeveel de waarde van de overige bezittingen per saldo vermindert. Anders gezegd: de waarde van de overige bezittingen wordt gesteld op het kleinste van twee bedragen: de waarde voor de verkoop en de waarde na de aankoop.

Door normale koersschommelingen en normale schommelingen in het saldo van de betaalrekening wordt een en ander ingewikkelder. De banktegoeden en overige bezittingen van elke dag in de maanden oktober tot en met maart kunnen van belang zijn. Ook moet bepaald worden welke mutaties het gevolg zijn van een handeling. Koersschommelingen zijn niet het gevolg van handelingen, maar ook bij de schommelingen in het saldo van de betaalrekening moet worden onderscheiden welke het gevolg zijn van een handeling, en of die eraan bijdraagt dat op de peildatum de waarde van de banktegoeden hoger is dan de laagste waarde (dit betreft niet-vaste inkomsten, bijvoorbeeld werk/overwerk accepteren, maar ook alle niet-vaste uitgaven na de peildatum, zoals boodschappen, want die maken niet de waarde op de peildatum lager, maar mogelijk wel de laagste waarde).

Met betrekking tot schulden is er een soortgelijke bepaling.

Een en ander geldt niet voor zover de belastingplichtige aannemelijk maakt dat aan zijn handelingen niet-fiscale zakelijke overwegingen ten grondslag lagen.

De Afdeling advisering van de Raad van State merkt op dat uit de wettekst niet duidelijk blijkt wanneer de periode van drie maanden precies aanvangt, en dat dit betekent dat de belastingplichtige over een periode van zes maanden (drie voor, en drie na de peildatum) rekening moet houden met omkering van de bewijslast, en langdurig bewijs van niet-fiscale overwegingen moet bewaren.

In het voorgestelde artikel 5.24, derde lid, Wet IB 2001 wordt geregeld dat bij ministeriële regeling nadere regels kunnen worden gesteld omtrent toepassing van de genoemde arbitragebepaling. Deze delegatiebepaling wordt uit voorzorg alvast opgenomen. Bij het indienen van het wetsvoorstel is er nog geen concrete invulling voor.

Fiscale partnersBewerken

Bij fiscale partners wordt het rendementspercentage berekend op basis van de gezamenlijke bezittingen en schulden. Voor de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen wordt het dubbele heffingvrije vermogen in acht genomen. De partners mogen per belastingjaar kiezen hoe de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen over beide verdeeld wordt, los van wie wat werkelijk bezit. Het gaat alleen om het verdelen van het bedrag; in termen van verdeling van vermogensbestanddelen komt het er op neer dat de verhouding banktegoeden : overige bezittingen : schulden voor beide partners gelijk gehouden wordt en dat het gezamenlijke heffingvrije vermogen in dezelfde verhouding wordt verdeeld als het vermogen. Bij een gezamenlijke aangifte wordt het bepalen wat het voordeligst is gefaciliteerd.

Voor jaren waarin de voor de belastingplichtige gunstigste van de twee methoden (methode A en B) wordt toegepast, wordt dit voor de partners afzonderlijk bepaald, op basis van de gekozen verdeling. Dit kan bij die keuze dus meespelen. Als een van beide partners geen inkomen heeft kan het aan deze partner toerekenen van vermogen helpen diens algemene heffingskorting zoveel mogelijk te benutten.

Geplande box 3-heffing op basis van vermogensaanwasBewerken

Bij de vormgeving van het nieuwe stelsel voor box 3 gaat het kabinet uit van een vermogensaanwasbelasting[9][92][93][94], niet te verwarren met een belasting op de toename van het vermogen: de grondslag (het rendement op basis van dit systeem) bestaat uit de vruchten (zoals rente-inkomsten, dividenden en huuropbrengsten) en de toename van de waarde van de vermogensbestanddelen, en bevat niet de vermogenstoename doordat inkomen uit box 1 of box 2 niet geheel besteed wordt, of bijvoorbeeld door een erfenis of een loterijprijs. Omgekeerd is de vermogenstoename kleiner dan het rendement als naast het netto inkomen uit box 1 en box 2 ook een deel van het vermogen wordt besteed.

Als het vermogen bijvoorbeeld bestaat uit een beleggingsrekening met aandelen (waaronder aandelen in beleggingsfondsen), obligaties en een gelddeel, en verder alleen een renteloze betaalrekening en spaarrekeningen, met alle geldtegoeden uitgedrukt in euro's, dan is het rendement gelijk aan de rente (op de obligaties, het gelddeel en de spaarrekeningen) en het dividend, en de waardestijging van de aandelen en obligaties in het deel van het jaar dat de belastingplichtige ze bezit, verminderd met de kosten van de beleggingsrekening en de bijkomende kosten van de transacties. Het rendement is tevens gelijk aan de toename van de totale waarde van de beleggingsrekening, plus de rente op de spaarrekeningen, verminderd met het bedrag dat per saldo van de betaalrekening naar de beleggingsrekening wordt ingebracht, inclusief de eventueel vanuit de betaalrekening betaalde kosten van de beleggingsrekening en bijkomende kosten van de transacties. Saldo's van de betaalrekening en de spaarrekeningen komen in deze berekeningswijzen niet voor, maar anno 2022 is aangifte van vermogen boven € 31.340 verplicht, ook al is de heffingvrije som hoger, omdat zo inzicht wordt verkregen in dit vermogen voor het geval de betrokkene nu of in de toekomst een beroep doet op een inkomensafhankelijke regeling, dus ook bij de vermogensaanwasbelasting zou de aangifte naar saldo's kunnen vragen die voor de heffing niet van belang zijn.

Er zal nader worden uitgewerkt voor welke schulden de rente aftrekbaar wordt, bijvoorbeeld alleen als ze zijn aangegaan voor de aankoop van bezittingen die tot belaste vermogensaanwas kunnen leiden..

De vermogensaanwasbelasting zou in 2025 gerealiseerd worden (inmiddels: 2026[95]), met dien verstande dat de waardeontwikkeling van onroerende zaken aanvankelijk nog forfaitair zou worden worden bepaald. Van de vruchten van onroerende zaken (huur en pacht) zou net als van de vruchten van de andere vermogensbestanddelen wel de echte waarde al direct vanaf 2025 worden belast. Verliezen kunnen worden verrekend met de box 3 inkomsten in hetzelfde jaar en een nader te bepalen aantal andere jaren. Het heffingvrije vermogen wordt vervangen door een heffingvrij inkomen. De grondslag voor het nieuwe box 3-stelsel is het totale inkomen uit box 3 voor zover dit het heffingvrije inkomen overschrijdt.

Kostenaftrek zal nader worden geregeld.

Er is nog niet besloten of het rendement belast wordt volgens een vlaktaks of een progressief tarief. Volgens de Voorjaarsnota 2022 wordt vanaf 2025 de algemene heffingskorting afgebouwd op basis van het verzamelinkomen. Effectief wordt daardoor het tarief van de vermogensrendementsheffing (in 2021 en 2022 31%, gepland voor 2025 34%[29]) in 2025 ongeveer 6 %-punt hoger (voor een AOW'er ongeveer 3 %-punt, die voor een deel van het inkomenstraject bovenop de genoemde 15 %-punt door de afbouw van de ouderenkorting komt), tenzij het verzamelinkomen meer dan ongeveer € 70.000 is (omdat de algemene heffingskorting dan al nul is).[96][97]

Op 20 juni 2022 was er een technische briefing van de Vaste commissie voor Financiën over de vermogensaanwasbelasting.[98][99] Sommige Kamerleden wezen erop dat de Tweede Kamer nog geen keuze voor een vermogensaanwasbelasting heeft gemaakt, en dat de vermogenswinstbelasting ook nog een optie is. Verder kwam naar voren dat invoering in 2025 in verband met de IV-capaciteit afhankelijk kan zijn van het uitstellen van andere projecten, zoals digitale IB-aangifte bij overlijden, en verder van vlotte totstandkoming van de betreffende wetgeving, met een niet te ingewikkeld resultaat. Bij vertraging zou de overbruggingswetgeving langer moeten gelden, maar de vraag was al of deze de geplande twee jaar juridisch houdbaar zou zijn, laat staan langer. Er werd gesteld dat zolang WOZ-waarden meer dan een jaar na de peildatum worden vastgesteld, deze niet bruikbaar zijn voor de vermogensaanwasbelasting omdat voor de aangifte voor bijvoorbeeld het belastingjaar 2026, de waarde nodig is die het vastgoed op 1 januari 2027 heeft, en deze waarde dan pas in 2028, en daarmee veel te laat, zou worden vastgesteld. Op 28 juni volgde er een commissiedebat.[100] Vooruitlopend hierop heeft Van Rij een meer gedetailleerde planning gepubliceerd. Hij meldde ook dat het onzeker is geworden of de gewenste inwerkingtreding per 2025 haalbaar is.[101] In het debat pleit Omtzigt ervoor om bij rendementen, waaronder waardeontwikkelingen, rekening te houden met inflatie, vooral nu deze hoger geworden is en mogelijk een aantal jaren hoog blijft.

GeschiedenisBewerken

Box 3 vervangt de vroegere vermogensbelasting (2000: 0,7% met een vrijstelling van ƒ 200.000 (€ 90.756)) en de inkomstenbelasting over de werkelijke inkomsten uit vermogen in de vorm van onder andere rente, dividend en huur. Er was een rentevrijstelling (sinds 1978, toen ƒ 200) en een dividendvrijstelling (2000: elk ƒ 1000 (€ 454)). Er gold een schijventarief voor het totaal van alle inkomsten (dus bij bijvoorbeeld een hoog loon moest ook veel belasting over de rente betaald worden). Sinds 1987 was er een informatieplicht voor banken inzake aan klanten uitgekeerde rente (renterenseignering).

Waardeaangroei van aandelen was echter niet belast. Dit leidde tot beleggingsfondsen op basis van liquiditeiten en obligaties waarbij de rente niet als dividend werd uitgekeerd, maar de koers deed stijgen: groeifondsen.[102] Deze moesten wel 35% vennootschapsbelasting over de winst betalen, maar dat was vaak minder dan het marginale inkomstenbelastingtarief van de aandeelhouders. Deze fondsen zijn sinds 2001 niet interessant meer (zelfs niet na omzetting in een variant die geen vennootschapsbelasting verschuldigd is) en daarom rond die tijd veelal omgezet in gewone obligatiefondsen, die dividend uitkeren, en ook geen vennootschapsbelasting verschuldigd zijn. Ook waren aandelen populair die onbelast stockdividend uitkeerden.

Aftrekbaarheid van betaalde rente is in de loop van de tijd steeds meer beperkt. Zoals blijkt uit het bovenstaande is deze er nu slechts in die zin dat schulden, op € 2800 na, van de bezittingen worden afgetrokken voor de bepaling van de vermogensrendementsheffing. Dit geeft alleen een belastingvoordeel voor zover de bezittingen groter zijn dan het heffingsvrije vermogen. De zaak ligt anders voor hypotheekrenteaftrek voor de eigen woning, deze valt in box 1, er hoeft dus geen vermogen tegenover te staan en de rente kan al worden afgetrokken als er überhaupt andere inkomstenbestanddelen zijn.

Het forfaitaire rendement bedroeg van 2001 tot en met 2016 4%. De vermogensrendementsheffing kwam hiermee uit op 1,2%.

De vermogensbestanddelen werden van 2001 tot en met 2010 gewaardeerd per 1 januari en 31 december, van deze waarden werd het gemiddelde genomen.

Tot en met 2012 was er behalve voor groene beleggingen ook een vrijstelling voor sociaal-ethische beleggingen (fondsen die beleggen in microkredieten of ontwikkelingsprojecten), culturele beleggingen en beleggingen in durfkapitaal. Naar aanleiding van het in 2012 gesloten Begrotingsakkoord is de Wet uitwerking fiscale maatregelen Begrotingsakkoord 2013 (UFM) aangenomen waarbij de vrijstellingen voor deze drie soorten beleggingen (sociaal-ethische fondsen, culturele beleggingen en durfkapitaal) per 1 januari 2013 werden afgeschaft, evenals de heffingskortingen voor deze beleggingen. De vrijstelling voor groen beleggen is gehandhaafd; bovendien ging een eerder geplande afschaffing van de heffingskorting voor groen beleggen niet door: deze heffingskorting is gehandhaafd op het niveau van 2012 (0,7%).

Per 2016 is de ouderentoeslag afgeschaft.[103]

Proefprocessen over jaren vóór 2017Bewerken

Tegen de vermogensrendementsheffing zijn diverse processen gevoerd. Op basis van de uitspraak van minister Gerrit Zalm,[104]

Elke sukkel haalt meer dan 4% rendement. Wie dat niet lukt kan bij mij staatsobligaties krijgen, met een procent of 6 rendement.

startte accountants- en adviesorganisatie Grant Thornton in maart 2014 in samenwerking met de Bond voor Belastingbetalers[105] een proefproces om de rechtmatigheid van de vermogensrendementsheffing te laten beoordelen aan de hand van de casus van een individuele belastingbetaler.[106]

In februari 2016 oordeelde advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden (AG) Niessen in een advies aan de Hoge Raad der Nederlanden dat deze belasting in strijd is met het recht van eigendom zoals vastgelegd in artikel 1 van het eerste protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).[107][108]

  • Hij wijst erop dat de moderne belastingwetgeving is gebaseerd op individuele draagkracht en een heffing die uitgaat van een fictief gemiddelde is daarmee in tegenspraak.[107] Belastingplichtigen zijn vrij om hun financiën zelf in te richten en zij zouden daarom niet moeten worden belast op basis van een opbrengst die zij volgens de wetgever hadden kunnen halen. (grief 1 : Fictief tegen individueel)
  • Wanneer dit vaste percentage belasting niet kan worden betaald uit de opbrengst van het vermogen is er sprake van een oneigenlijke ontneming.[107] (grief 2 : Oneigenlijke ontneming)
  • Tot slot is de zekerheid van een rendement van 4% na de aanslagen op 11 september 2001 en de kredietcrisis ondermijnd. De AG adviseert de wetgever een termijn te geven voor aanpassing of vervanging van de regeling.[107] Zolang dat niet is gebeurd, kan de rechter beslissen dat de regeling buiten toepassing moet blijven in gevallen waarin een belastingplichtige verlies lijdt op zijn vermogen.[107] Uitdrukkelijk verwijst hij naar de unaniem aangenomen motie van Arnold Merkies om het werkelijk behaalde rendement op vermogen te belasten.[109] (grief 3: Steeds lagere rendementen in het verschiet sinds 2001)

De aangespannen zaak van de belanghebbende dient te worden verwezen volgens de conclusie van de AG:

"De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond dient te worden verklaard en dat het geding ter verdere behandeling en beslissing van de zaak wordt verwezen."[bron?]

Anno 2017 lopen nog steeds diverse processen, waarin de aanspanners het forfaitair rendement over individuele jaren als onrechtmatig aanmerken. De rechtbank te Breda oordeelde in januari van dat jaar dat de heffing over 2013 en 2014 niet ongegrond was, aangezien het forfaitair rendement niet als onhaalbaar moet worden beschouwd.[110] De Hoge Raad acht het forfaitair rendement echter niet haalbaar voor de jaren 2013 en 2014[111] December 2019 deed het gerechtshof in Den Haag uitspraak over de jaren 2015 en 2016. Het oordeel was mede gebaseerd op een eerdere uitspraak van de Hoge Raad. De spaarder die minder rendement maakte als spaarder dan de verschuldigde belasting (1,2%) werd in het gelijk gesteld. Het Hof gaf geen directe compensatie maar verwees de spaarder terug naar de overheid.[112] Die trok de controversiële conclusie dat een rendement van 1,2% destijds haalbaar was.[113]

In januari 2022 lopen er procedures bij het EHRM over de jaren 2013 tot en met 2016.[114]

Varianten van een toekomstig systeem met minder ficties (Kamerbrief juni 2021)Bewerken

Er wordt gewerkt aan een nieuw systeem met minder ficties.[115][116][117]

Er worden drie varianten overwogen:

Variant A is in de basis een vermogensaanwasbelasting op alle vermogensbestanddelen waar de Belastingdienst voldoende over weet, en een forfaitaire heffing voor de overige vermogensbestanddelen. Belastbaar zijn:

  • Bank-, spaartegoeden en overige vorderingen: de werkelijke rente
  • Aandelen, obligaties en derivaten: de werkelijke vermogensaanwas, dus de koerswinst, de rente en de dividenden van dat jaar
  • Onroerende zaken en overig vermogen: een forfaitair inkomen

Variant B is een vermogenswinstbelasting op alle vermogensbestanddelen waar de Belastingdienst voldoende over weet, en een forfaitaire heffing voor de overige vermogensbestanddelen. Belastbaar zijn:

  • Bank-, spaartegoeden en overige vorderingen: de werkelijke rente
  • Aandelen, obligaties en derivaten: de werkelijke rente en dividenden; verder vermogenswinst bij realisatie, bijvoorbeeld door verkoop
  • Onroerende zaken en overig vermogen: een forfaitair inkomen

In beide varianten wordt voor bank- en spaartegoeden en effecten het werkelijke, individueel behaalde rendement belast.

In variant C wordt het rendement voor elke vermogenstitel over een belastingjaar achteraf forfaitair vastgesteld. Het vermogen van de belastingbetaler aan het begin van het jaar wordt toegerekend aan de bestanddelen spaargeld, aandelen, obligaties, onroerend goed en overig. Op de waarde van ieder van die bestanddelen wordt na afloop van het jaar bij de individuele belastingbetaler forfaitair het gemiddelde (macro) rendement van ieder van die bestanddelen toegepast. Door het gemiddelde rendement na afloop van het jaar te nemen, wordt ontwijking op de peildatum – door te schuiven in de vermogensmix – minder voorspelbaar en dus minder aantrekkelijk.

In alle varianten is er voor de inkomsten uit vermogen een heffingvrije voet.

In 2019 aangenomen motie voor hogere belastingen op vermogens boven 1 miljoen euroBewerken

De Tweede Kamer heeft in 2019 in een aangenomen motie het kabinet verzocht verschillende mogelijkheden voor hogere belastingen op vermogens boven 1 miljoen euro te onderzoeken.[118][119] Het rapport Belasten van vermogen[120] gaat hier op in. De mogelijkheden en complicaties zijn volgens het rapport onder meer:

  • Een hoger forfaitair rendement dan dat in de huidige rendementsklasse II (rendement van beleggen) over vermogens boven 1 miljoen euro. De vraag is of dit realistisch is, en daarmee of het juridisch houdbaar is.
  • Een progressief tarief over het forfaitaire inkomen uit vermogen, in plaats van een proportioneel tarief (nu 31%). Daarbij is de vraag of een progressief tarief dat niet gebaseerd is op inkomen maar op de grondslag van dit inkomen mogelijk is.
  • Een aanvullende vermogensbelasting. De waarde van box-2-aandelen zou meegerekend moeten worden. Belastingverdragen zouden moeten worden aangepast.

Voorstellen voor een formele vermogensbelastingBewerken

Diverse politieke partijen willen naast de vermogensrendementsheffing vermogensbelasting herinvoeren:[121]

  • PvdA: voor het deel van het vermogen tussen 100.000 en 500.000 euro een tarief van 1%, tussen 500.000 en 1 miljoen euro 2%, tussen 1 mln en 5 mln euro 3%, tussen 5 mln en 10 mln euro 4% en boven 10 mln euro 5%[122]
  • D66, GroenLinks en SP: 1% belasting over het deel van het vermogen tussen de 1 miljoen en 2 miljoen euro, en 2% over vermogen boven 2 miljoen euro

In februari 2022 is een concept gepubliceerd van de Memorie van Toelichting van een Voorstel van wet van de leden Nijboer (PvdA), Alkaya (SP) en Maatoug (GroenLinks) ter introductie van een progressieve vermogensbelasting.[41][123][124][125] Het lijkt op bovenstaand plan van de PvdA. Dit zou box 3 vervangen als deze afgeschaft zou moeten worden: "Door de uitspraak van de Hoge Raad valt de grondslag onder box 3 mogelijk in het geheel weg. Daarvoor biedt dit wetsvoorstel een alternatief, zodat vermogens belast blijven nu rendement op vermogen via de vermogensrendementsheffing onbelast dreigt te worden." Beoogd wordt om voor de grondslag aan te sluiten bij het vermogen volgens de huidige box 3. Alles overwegende, mede aan de hand van het proefschrift Eigendomsgrondrecht en belastingen van T.C. Gerverdinck (sluitingsdatum kopij 30 november 2019),[126] achten de indieners deze vermogensbelasting geoorloofd onder het EVRM.

Omtzigt is van mening dat 5% vermogensbelasting heffen niet werkt, omdat vermogens nogal vloeibaar zijn en snel naar een ander land gaan.[41]

De regering kiest voor de langere termijn niet voor een vermogensbelasting, maar voor de genoemde vermogensaanwasbelasting, en ook niet voor invoering van een tijdelijke formele vermogensbelasting ter overbrugging van de jaren 2013 en 2014, omdat dit praktisch en juridisch niet goed mogelijk zou zijn.[127]

Aanhangig is sinds juli 2022 het Voorstel van wet van de leden Nijboer, Alkaya, Van Raan en Gündoğan houdende regels omtrent invoering van een vermogensbelasting (Wet vermogensbelasting 2024). Voorgesteld wordt dat de eerste €100.000 wordt vrijgesteld, terwijl verder een schijventarief geldt met een belasting van 1% over de volgende €400.000, 2% over de volgende €500.000, 3% over de volgende €1.000.000, 4% over de volgende €3.000.000 en 5% over de rest (dus het vermogen boven €5.000.000). De bedoeling van de initiatiefnemers is dat de wet in 2024 ingaat. Het wetsvoorstel wordt gepresenteerd als alternatief voor box 3. Het bevat echter geen bepaling dat box 3 wordt afgeschaft. Over de samenhang met de aangekondigde Overbruggingswet box 3 wordt niets vermeld.[128]

Coalitieakkoord 2021 – 2025 en Voorjaarsnota 2022Bewerken

De budgettaire bijlage van het coalitieakkoord 2021 – 2025 vermeldt de volgende plannen:

  • Per 2023 wordt de leegwaarderatio afgeschaft.
  • Per 2025 wordt sparen en beleggen op reëel rendement belast. Dit is later veranderd in 2026.
  • De vrijstelling in box 3 zou worden verhoogd naar ca. 80.000 euro. Volgens de Voorjaarsnota 2022 gaat dit niet door.[129]

In juni 2021 verworpen plan voor een tegenbewijsregelingBewerken

Een idee voor een tegenbewijsregeling voor (een categorie van) belastingplichtigen met vooral of uitsluitend spaargeld ("onderzoek naar tegenbewijsregeling box-3 spaarders")[130][131] is in juni 2021 door het toenmalige demissionaire kabinet verworpen, het adviseerde een volgend kabinet geen stappen in deze richting te zetten.[132]

Sparen in box 2 als alternatief of aanvullingBewerken

Een alternatief voor sparen in box 3 is het onderbrengen van het spaargeld in een bv, bijvoorbeeld een speciale eigen spaargeld-bv.[133][134] De winst is dan het werkelijke rendement op het spaargeld, verminderd met de kosten van de bv. Bij een winst tot € 200.000 is de vennootschapsbelasting 16,5%, en is het dividend in box 2 belast tegen een tarief van 26,25%, dit is (als de kosten even buiten beschouwing worden gelaten en de nettowinst geheel als dividend wordt uitgekeerd) bij elkaar 38,42% van het werkelijke rendement op het spaargeld. Voor de beoordeling van dit alternatief kan dit worden vergeleken met de 31% van het belaste rendement op spaargeld in box 3. Sinds het Kerstarrest is het verschil bij sparen klein. Obligaties in box 3 behoren echter tot 2026 nog tot dezelfde vermogenscategorie als aandelen, daarvoor kan box 2 nog voor drie peildata van box 3 (1 januari 2023, 1 januari 2024 en 1 januari 2025) wel een gunstig alternatief zijn. Box 2 kan ook van pas komen bij een groot bedrag aan beleggingen in box 3 met geleend geld. Het is dan fiscaal aantrekkelijk als (per saldo) het vermogen in box 3 niet groter is dan het heffingvrije vermogen (zie boven). Extra vermogen in box 2 kan dan de risico's opvangen.

De spaarder/dga kan belastingvrij het spaargeld geheel of gedeeltelijk opnemen uit de bv door middel van een teruggave van gestort aandelenkapitaal, zolang de teruggave niet hoger is dan de verkrijgingsprijs, de algemene vergadering (de spaarder/dga zelf) hiertoe besluit en de nominale waarde van de aandelen bij statutenwijziging met een gelijk bedrag is verminderd. Vergeleken met gewoon sparen is zo'n opname dus omslachtiger en brengt deze (net als de oprichting) notariskosten met zich mee. Liquidatie gaat op soortgelijke wijze. Alleen de eventuele winst die wordt uitgekeerd, tussendoor en/of bij liquidatie (bij sparen niet of nauwelijks van toepassing, mede gezien de aftrekbare kosten), is in box 2 belast. Een andere manier van 'geld opnemen' uit de bv is lenen. Dit moet dan wel tegen een zakelijk rentepercentage. Aanhangig is de Wet excessief lenen bij eigen vennootschap, waarbij vanaf 2023 overschrijding van een schuld van € 700.000 eenmalig als inkomen in box 2 wordt belast.

Vanaf 2026 is er minder reden uit te wijken naar box 2.[135]

Zie ookBewerken

Externe linkBewerken