Bodemverzuring

Bodemverzuring is een afname van de pH-waarde in de bodem, oftewel een verzuring door toename van het aantal protonen (waterstofionen).

Kaart van Europa met de verzuring in 1990 en 2010.

De bodem bevat van nature stoffen die zuren verwerken. Dit wordt wel de buffercapaciteit van de bodem genoemd. Hiertoe behoren kalk, mineralen, humus, aluminium- en ijzeroxiden. Zodra de buffercapaciteit op is, verzuurt de bodem. Hierdoor komen onder andere giftige metalen (aluminium) en nitraat vrij, die uitspoelen naar het grond- en oppervlaktewater. Ook belangrijke voedingsstoffen als kalium, calcium en magnesium spoelen weg. In uitgespoelde bodems vinden bomen en planten niet de juiste voedingsstoffen. Dat maakt ze vatbaar voor ziekten. Bovendien kunnen ze de voedingsstoffen die er wel zijn, moeilijker opnemen. Bij een pH-waarde lager dan 4,5 gaat aluminium in oplossing.[1] Uitgespoelde aluminiumdeeltjes tasten de zeer fijne haarwortels aan.

Mineralen spoelen definitief weg door de verzuring. Er zijn experimenten om steenmeel uit te strooien om de natuur te herstellen.[2]

Naast uitspoeling is ook sprake van verdringing van voedingsstoffen. Als er relatief veel ammoniakzouten in de bodem zitten, kunnen bomen en planten ander voedsel minder goed opnemen. Reactieve stikstof is een belangrijke voedingstof voor bomen en planten (het is ook een belangrijk bestanddeel van kunstmest). Een teveel aan stikstof is echter niet goed. Vooral bodems die van nature arm zijn, zoals heidegronden, en de bodems van vennen zijn gevoelig voor deze vermesting (eutrofiëring). Plantensoorten die goed op schrale grond gedijen, worden dan verdrongen door snelgroeiende soorten die meer stikstofminnende planten, zoals grassen, bramen en brandnetels.

Zie ookBewerken