Hoofdmenu openen

Andries Adolf Deutz van Assendelft

Nederlands politicus

Andries Adolf Deutz van Assendelft, vrijheer van Assendelft en Assumburg, heer van Noorddorp, Rietwijk en Rietwijkeroord, Wijk aan Duin en Wijk aan Zee (Amsterdam, 6 november 1764 − aldaar, 17 juni 1833) was een Nederlands politicus.

Andries Adolf Deutz van Assendelft
rond 1825 door Alexandre Jean Dubois-Drahonet
Geboren Amsterdam, 6 november 1764
Overleden Amsterdam, 17 juni 1833
Partij staatsgezind (republiek);
regeringsgezind (Willem I)
Religie Gereformeerd (Ned. Hervormd)
Titulatuur Jhr.Mr.
Functies
1786;
1794 - 1795
commissaris van kleine zaken te Amsterdam
1787 - 1788;
1791 - 1792
commissaris van huwelijkse zaken te Amsterdam
1790;
1793
schepen van Amsterdam
1791 - 1795 raad in de Vroedschap van Amsterdam
1814 lid Vergadering van Notabelen
1814 - 1815 lid Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden
1814 - 1833 lid stedelijke raad van Amsterdam
1815 - 1818 lid Tweede Kamer der Staten-Generaal
1821 - 1824 lid college van burgemeesters van Amsterdam
1824 - 1830 wethouder van Amsterdam
1831 - 1833 lid Eerste Kamer der Staten-Generaal
Website
Portaal  Portaalicoon   Politiek

BiografieBewerken

Deutz was een lid van het geslacht Deutz van Assendelft en een zoon van mr. Cornelis Deutz van Assendelft, vrijheer van Assendelft en Assumburg, heer van Heemskerk, Hoogdorp, Noorddorp, Reeuwijk, Rietschoten, Rietwijkeroord, Wijk aan Duin en Wijk aan Zee (1730-1788) en Maria Deutz (1733-1784). Hij trouwde in 1785 met Jacoba Margaretha Maria Boreel (1770-1816), lid van de familie Boreel uit welk huwelijk elf kinderen werden geboren.

Deutz studeerde rechten aan het Atheneum Illustre te Amsterdam en promoveerde op stellingen aan de Hogeschool Leiden in 1785. Daarna had hij verschillende functies in het Amsterdamse stadsbestuur. In de Bataafse tijd was hij ambteloos burger. In 1814 was hij lid van de Vergadering van Notabelen, in de periode 1814-1815 lid van de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden, in de periode 1815-1818 lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en tot slot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal (1831-†).

Tussen 1814 en 1830 was hij ook lid van de stedelijke raad van Amsterdam, lid van het college van burgemeesters van Amsterdam en vanaf 1824 wethouder van zijn geboortestad.

Deutz werd bij Souverein Besluit van 28 augustus 1814 benoemd in de ridderschap van Holland waarmee hij en zijn nageslacht tot de Nederlandse adel gingen behoren met het predicaat jonkheer. In 1815 werd hij benoemd tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Deutz had verschillende nevenfuncties; het langst (1784-†) was hij regent van het Deutzenhofje.