Afschaffing van de slavernij in het Koninkrijk der Nederlanden

De afschaffing van de slavernij in het Koninkrijk der Nederlanden vond plaats het midden van de negentiende eeuw. Op 1 januari 1860 kwam formeel een einde aan de slavernij in Nederlands-Indië. Op 1 juli 1863 kwam met de Emancipatiewet officieel een einde aan de slavernij in Suriname en in Curaçao en Onderhorigheden (de huidige landen Aruba, Curaçao en Sint-Maarten en de Caribisch openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius)

Afschaffing van de slavernijBewerken

Na de afschaffing van de slavenhandel in 1815 door koning Willem I der Nederlanden na het Wener Congres werd in het Koninkrijk der Nederlanden bijna vijftig jaar later, in 1863, de slavernij zelf afgeschaft. Al eerder waren andere koloniale mogendheden overgegaan tot afschaffing. In het Britse rijk werd de slavernij in 1833 met de Slavery Abolition Act verboden. In het Franse rijk werd de slavernij in 1848 afgeschaft.

Nederland schafte de slavernij in etappes af, eerst in de onder direct bestuur staande delen van Nederlands-Indië met ingang van 1 januari 1860 (Wet vaststelling van het Reglement op het beleid der regering van Nederlandsch Indie). In sommige onder indirect bestuur staande delen van Nederlands-Indië bleef de slavernij bij de sultanaten voortbestaan. Op het eiland Soembawa duurde dit tot 31 maart 1910, op Samosir tot 1914.

In Suriname en Curaçao en Onderhorigheden werd per 1 juli 1863 de slavernij afgeschaft met de Emancipatiewet; de afschaffing van de slavernij werd aangeduid met de term emancipatie. Op deze dag klonken 21 kanonschoten in Paramaribo en werden de slaven vrije mensen.[1] Op die dag kregen zo’n 35.000 slaven in Suriname en 12.000 slaven op de Nederlandse eilanden in het Caribisch gebied hun vrijheid.[2] Er werden feesten georganiseerd waarbij koning Willem III der Nederlanden als sleutelfiguur en weldoener van de vrijgemaakte slaven werd gepresenteerd. In Suriname werden de voormalige slaven voor een periode van tien jaar onder staatstoezicht geplaatst en bleven ze dus veelal op dezelfde plantages werken. In deze periode waren vrijgelaten plantagewerkers tussen de 15 en 60 jaar verplicht een arbeidsovereenkomst af te sluiten. Deze maatregel was vooral bedoeld om te voorkomen dat de voormalige slaven massaal de plantages zouden verlaten, waardoor de plantage-economie zou instorten.

Compensatie voor de slavenhoudersBewerken

 
Een cheque voor 3200 gulden compensatie bij de afschaffing van de slavernij op Sint-Eustatius in 1863

De Nederlandse regering betaalde in Suriname een schadevergoeding van 300 gulden per slaaf aan de eigenaar ter compensatie voor het verloren eigendom. In Curaçao was dit 200 gulden (in Indië 50 tot 350 gulden al naargelang de leeftijd van de slaaf). De slaveneigenaren claimden deze vergoeding via opgemaakte lijsten van mensen die ze in bezit hadden, de zogenaamde borderellen.[3] In totaal bedroeg de tegemoetkoming bijna 12 miljoen gulden, ongeveer 10% van de rijksuitgaven in 1863.[2]

Als alternatief voor de inzet van slaven werden door de voormalig slaveneigenaren contractarbeiders geworven in Nederlands-Indië (zie Javaanse Surinamers), India (Hindoestanen) en China (zie Chinese Surinamers).

 
Vrouwenhandel binnen het Sultanaat Atjeh in 1873.

Tijdsverloop afschaffing slavernij in het Koninkrijk der NederlandenBewerken

  • 1814Trans-Atlantische slavenhandel afgeschaft.
  • 1860Nederlands Oost-Indië – alleen in de rechtstreeks bestuurde gebieden (Ind. Stbl. 46).
  • 1863Nederlands West-Indië – Emancipatiewet schaft de slavernij in Nederlands West-Indie af. slaveneigenaren ontvangen een schadeloosstelling; vrijgelatenen in Suriname komen tien jaar onder staatstoezicht met verplichte arbeidsovereenkomst op de plantages (Stbl. 164 en 165). Deze 'arbeidsplicht' gold alleen voor Suriname.[4]
  • 1872Nederlandse Goudkust – kolonie verkocht aan Groot-Brittannië, waar de slavernij al eerder was afgeschaft.
  • 1873 – Nederlands West-Indië – staatstoezicht en verplichte arbeidsovereenkomst afgeschaft.
  • 1877 – Nederlands Oost-Indië – eiland Bali
  • 1910 – Nederlands Oost-Indië – eiland Soembawa31 maart
  • 1914 – Nederlands Oost-Indië – eiland Samosir – waarschijnlijk laatste deel van het Nederlandse koloniale rijk waar de slavernij werd afgeschaft.

Viering afschaffingBewerken

Ter viering van de afschaffing van de slavernij is Ketikoti een jaarlijks terugkerende feestdag in Suriname. Ketikoti wordt ook gevierd onder Afro-Surinamers en Afro-Antillianen in Nederland. Op Sint-Eustatius, Sint-Maarten en Saba viert men deze dag onder de naam Emancipatiedag. Saba vierde dit voor het eerst in 2021.[5] In Sint-Eustatius is 1 juli met ingang van 2022 een algemeen erkende feestdag.[6]

Zie ookBewerken