Hoofdmenu openen
Naamvallen
Abessief
Ablatief (zesde naamval)
Absolute naamval
Absolutief
Accusatief (vierde naamval)
Adessief
Adverbialis
Algemene Latijnse vervoegingen en verbuigingen
Allatief
Apudessief
Associatief
Aversief
Benefactief
Causalis-finalis
Causatief
Comitatief
Datief (derde naamval)
Delatief
Dieptecasus
Distributief
Elatief
Ergatief
Essief
Exessief
Factitief
Genitief (tweede naamval)
Illatief
Inessief
Instructief
Instrumentalis (achtste naamval)
Intratief
Locatief (zevende naamval)
Multiplicatief
Nominatief (eerste naamval)
Objectief
Obliquus (Hindi)
Obliquus
Partitief
Pegatief
Pertingent
Prepositionalis
Prolatief
Sublatief
Superessief
Temporalis
Terminatief
Translatief
Vocatief (vijfde naamval)

De absolute naamval is een naamval die samen met een voltooide werkwoordsvorm - meestal het deelwoord - een grammaticale constructie vormt die als volwaardige zin binnen een groter zinsverband dienstdoet. Een dergelijke constructie dient meestal ter verkorting van bijzinnen. Het meest kenmerkend aan een zin met een of enkele absolute naamvallen is dat de agens die bij de persoonsvorm hoort niet overeenkomt met het zinsdeel dat bij de voltooide werkwoordsvorm hoort.

Voorbeelden van Indo-Europese talen met absolute naamvallen zijn het Oudgrieks, Latijn, Perzisch en Litouws. De genitivus absolutus en ablativus absolutus komen als constructie vooral voor in het Latijn en Grieks. Het Litouws kent daarnaast de dativus absolutus in combinatie met een quasi-deelwoord (dat in het Oudlitouws en Oudkerkslavisch nog een echt deelwoord was). In het Duits en Nederlands komen nog enkele versteende constructies met een absolute naamval voor, zoals unverrichteter Dinge en onverrichter zake.