Teukoe Oemar
Teukoe Oemar (Atjeh, 1854 - Soeak Oedjoeng Kalak (Meulaboh), 11 februari 1899) was een bekende aanvoerder in de Atjehoorlog. Naast Panglima Polèm II, Toeankoe Mohammed Daoed en zijn derde vrouw Tjoet Nja Dinh speelde hij een belangrijke rol in de guerrilla tegen de Nederlanders.
Teukoe Oemar, wiens aanspreektitels: Teukoe Djohan Pahlawan en Panglina Prang Besar waren, stamde uit een invloedrijke familie. Zijn vader was Teukoe Mahmoed, tweede zoon van Teukoe Nanta, de man die voor 1873 Toekoe Neq uit zijn gezag over de VI Moekims verdreef. Zijn moeder was de zuster van de vorst van Meulaboh. Toen hij 20 jaar oud was trouwde hij met Nyak Sofia, niet lang hierna nam hij Nyak Malighai als zijn tweede vrouw. In 1880 trouwde Teukoe Oemar met zijn nicht Tjoet Nja Dinh. Vanaf 1880 was hij de ziel van het verzet tegen de in 1873 naar Atjeh gekomen Hollanders, maar omstreeks 1883 onderwierp hij zich aan het Nederlandse gezag.
De Nisero-kwestie, 8 november 1883 - september 1884
Op 8 november 1883 leed het Engelse stoomschip Nisero schipbreuk op de kust van Teunom in de buurt van de kampong Pangah, 20 km zuidelijk van Tjalang. De Nisero, een vrachtschip met een capaciteit van 1800 ton, was met een lading suiker van Soerabaya onderweg naar Marseille. De bemanning, bestaande uit 17 zeelieden van diverse Europese nationaliteiten plus een Amerikaan, werd door de radja van Teunom gevangen genomen en meegevoerd naar het binnenland. De radja eiste een fors losgeld en bovendien opheffing van de blokkade van de Atjehse kust door de Nederlandse oorlogsvloot. Als tegenprestatie was zou hij dan de gevangenen vrij laten. De radja van Teunom was dezelfde die in 1877 de 18 artikelen ondertekend had waarmee hij het Nederlandse gezag formeel erkende.
Expeditionele actie tegen de radja van Teunom (Gedei), januari 1884
Met name Engeland nam het Nisero-incident zeer hoog op. Na een periode van druk diplomatiek verkeer met Nederland voelde dat land zich genoodzaakt in januari 1884 militair in te grijpen in de vorm van een landing bij Teunom. Hiertoe vertrok een marine-eskader uit Oelee Lheue in Groot-Atjeh onder aanvoering van kolonel Henry Demmeni. De expeditie bestond uit de volgende eenheden; het 3e Bataljon Infanterie, een sectie bergartillerie, een detachement genietroepen, de geneeskundige dienst en een sectie intendance. De volgende schepen deel aan de actie: Zr. Ms. Bromo, Banka, Palembang, het transportschip Devonhurst en 2 stoombarkassen.
Omdat op 7 januari 1884 niet aan het gestelde ultimatum was voldaan, openden de oorlogsschepen met hun kanonnen het vuur en gingen sloepen met troepen naar de wal. Deze troepen verdreven de vijand en richtten een versterkt bivak in. De volgende dag staken de militairen onder dekking van gewapende sloepen de rivier bij Gedei over en ondernamen een aanval op het zwaar versterkte Gedei, dat na een fel gevecht werd ingenomen. Op 11 januari 1884 bezette een landingsdivisie het bivak en voerden gewapende sloepen de rivier op. De troepen rukten op naar Padang Kring, in de buurt van Gedei gelegen. Spoedig werd Padang Kring veroverd, waarna de nederzetting van de vorst, Simpang Olim, onder vuur werd genomen. Als reactie op dit offensief werden de gijzelaars verder het binnenland in gebracht. Ondanks het feit dat het doel niet was behaald werden per Koninklijk Besluit van 27 januari 1884 no.18 de volgende officieren beloond voor getoonde dapperheid; kolonel der infanterie H. Demmeni tot officier in de Militaire Willems-Orde, Kapitein der infanterie jhr. E.H.F. Leyssius kreeg de eresabel en de eerste luitenant der infanterie R.J. graaf Schimmelpenninck en de luitenant ter zee 1e Klasse P.H. Prager tot ridder in dezelfde orde.
Het "verraad" van Toekoe Oemar, juli 1884
Aangezien de diplomatieke verhouding met Engeland steeds slechter werd, besloot gouverneur Laging Tobias een geheime reddingactie op touw te zetten. Onder het motto dat men rovers met rovers moet vangen, benaderde hij het bendehoofd Teukoe Oemar. Deze accepteerde de opdracht de gevangenen te verlossen op voorwaarde dat zijn maatschappelijke positie als peperhandelaar geregeld zou worden. Hij werd op 3 juli 1884 met zijn mannen ingescheept op het oorlogsschip Zr. Ms. Benkoelen. Teukoe Oemar, die door de Nederlanders als bandiet werd beschouwd maar in Atjeh een belangrijk man was, voelde zich aan boord beledigend behandeld. Hij werd als een koelie behandeld en moest op het dek slapen. Terwijl Toekoe Oemar met een sloep aan land werd gezet overvielen zijn manschappen plotseling de sloeproeiers, die zij op twee na vermoordden. De verontwaardiging over dit verraad was aan Nederlandse zijde groot. Toekoe Oemar had zich intussen bij de vijanden van het gouvernement gevoegd en deed voortdurend invallen in Groot-Atjeh.
Het Brits-Nederlands Marine eskader, 12 augustus 1884
Een gezamenlijk militair ingrijpen van Engeland en Nederland dreigde. De radja was echter zodanig geïntimideerd door het verschijnen van een Brits-Nederlands eskader op 12 augustus 1884 met zowel Maxwell als gouverneur Laging Tobias aan boord, dat hij zonder veel onderhandelen toegaf. Hij leverde de gijzelaars een maand later uit en onving als beloning 800.000 daalders terwijl de rede niet meer werd geblokkeerd. Teukoe Jit, zijn raadsman, ontving 10.000 daalder. De slachtoffers werden later herbegraven in een kerkhof te Tjalang.
De "Hok Canton" - Actie in Rigaih tegen Teukoe Oemar’s versterkte huis, 21-24 juni 1886
Op 14 juni 1886 werd het schip de Hok Canton dat onder Nederlandse vlag voer, te Rigas aan de westkust van Atjeh ten noorden van Tjalang, overvallen en geplunderd. Scheepskapitein Hanssen, die gewond was, zijn echtgenote en een Europese machinist werden aan wal gebracht. In reactie hierop werd door het Nederlands gezag besloten om een expeditie naar Rigas (Rigaih) te sturen. Men besloot de gegijzelden te bevrijden en tegelijkertijd de ontrouwe Toekoe Oemar gevangen te nemen
Op 21 juni 1886 verzamelde zich voor de kust een marine-eskader met troepen aan boord onder bevel van luitenant-kolonel van Teyn. Aan de actie deden de volgende eenheden mee; drie compagnieën infanterie (450 man), een marine-landingsdivisie (67 schepelingen), Zr. Ms. Merapi, Palembang, Sambas en het transportschip Devonhurst. Deze troepenmacht werd bij Lho Gloempang, net boven Tjalang, aan wal gezet en verplaatste zich vervolgens in een brede colonne naar het versterkte huis van verzetsleider Teukoe Oemar in de kampong Rigas (Rigaih). Na beschietingen vanuit zee op het versterkte huis werd dit bestormd en ingenomen. Teukoe Oemar bleek niet aanwezig, maar enkele van zijn familieleden konden gevangen worden genomen. Op 24 juni 1886 werd een aanval gedaan op de schuilplaats van Teukoe Oemar in kampong Kota Brandang. Na een korte artillerie beschieting en een schotenwisseling trokken de troepen de kampong binnen die bleek te zijn verlaten. Op 26 juni 1886 keerde de expeditie zonder resultaat terug. Inmiddels was de kapitein Hanssen bezweken aan zijn verwondingen en waren de andere gevangenen naar het binnenland gebracht. Tenslotte betaalde het Nederlands gezag een losgeld van 25.000 rijksdaalders waarna de gevangenen werden uitgeleverd.
De politiek van Inlandse Bondgenoten
In 1892 werd kolonel Deykerhoff benoemd tot civiel en militair gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden. De kolonel veronderstelde dat het beter was om 'loyale' inheemse hoofden in te zetten tegen 'vijandelijke' hoofden. Met geld, geschenken en onderscheidingen trachtte Deijkerhoff de vriendschap van de Atjehse hoofden te kopen en af en toe lukte dat ook. Zo werden inlandse hulptroepen opgeleid en uitgerust met wapens. Mede door aanbevelingen van loyale Atjehers was in 1890 het Korps Marechaussee opgericht.
Een centrale rol in Deykershoff's politiek was weggelegd voor Teukoe Oemar. Hij was een van belangrijkste aanvoerders van de Atjehers. Meer dan eens "onderwierp" hij zich, maar altijd was er weer een aanleiding die hem deed besluiten zich van de Nederlanders af te keren. Op 30 september 1893 gaf hij zich wederom met 15 volgelingen over en onderwierp zich plechtig aan het Nederlandse gezag, staande aan het graf van Teuku Anjong, net buiten Kota Radja. De Nederlanders hadden deze heilige plaats gekozen in de hoop dat Teukoe Oemar zich daardoor verplicht zou voelen om trouw aan zijn eed te blijven.
Aan het hoofd van een Atjehnees legioen met drie onderbevelhebbers genoot hij een riant inkomen en de regering van Nederlands-Indië zorgde voor het onderhoud van zijn manschappen Op de landsbegroting van 1894 stond een bedrag van 101.000 gulden voor de betaling van Toekoe Oemar en zijn legioen. Teukoe Oemar bracht als tegenprestatie steeds meer gebieden onder Nederlandse controle. De aanvankelijke scepsis veranderde in dankbaarheid en waardering, Teukoe Oemar werd door Deijkerhoff overladen met eerbewijzen. Hij kreeg de titels "Panglima Perang Besar" (groot oorlogsleider) en "Teukoe Djohan Pahlawan" (kampioen der helden). Teukoe Oemar bewoonde een een fraai huis te Lampisang dat rijk gedecoreerd was met Atjehs houtsnijwerk, hem cadeau gedaan door het dankbare Nederlandse gezag. Het huis had een hoge waterput die, uit voorzorg tegen vergiftigingen, alleen vanaf de eerste verdieping bereikbaar was.
De 'verdeel en heers politiek' van Deykerhoff leek te werken, maar zijn officieren bleven sceptisch. Zij wezen op ervaringen met de Nisero en de Hok Canton. Majoor J.B. van Heutsz vond de aanpak van de gouverneur volkomen verkeerd en stak dit middels zijn brochure De onderwerping van Atjeh in oktober 1892 niet onder stoelen of banken. Ieder wapen dat aan een Atjeher gegeven werd zou ooit tegen de verstrekker gebruikt worden kunnen worden was zijn mening. Het inzetten van lokale hulptroepen leek een succes. Met een leger van 2000 Atjehers, gewapend met Nederlandse geweren, veroverde Teukoe Oemar zelfs de benteng Anak Galoeng op Panglima Polèm II. Het verliep niet zonder bloedvergieten. De oelema raakten in verwarring omdat Toekoe Oemar een moslim was. Gouverneur Deykerhoff was tevreden. Teukoe Oemar leidde nog meer grote militaire operaties tegen zijn landgenoten en wist zo verscheidene strategische punten te veroveren, onder andere de beruchte benteng Kaloet, waarna de Nederlanders de bezetting over konden nemen. Deze nieuw veroverde posten maakten het mogelijk de zo genoemde 'Buitenlinie' op te zetten. Toch hieden ook veel Atjehers twijfels over de ware bedoelingen van Teukoe Oemar.
Het verraad van Teukoe Oemar
In januari 1896 volgde een conferentie te Buitenzorg tussen de gouverneur-generaal, generaal Vetter en kolonel Deykerhoff, waarbij besloten werd dat zo nodig agressief kon worden opgetreden in de XII Moekims. Nadat in maart een patrouille onder bevel van overste Blokland bij een verkenning zware verliezen leed werd besloten tot een actie tegen Lamkrach. Teukoe Oemar zou daaraan deelnemen en werd met het oog op die operatie van geweren en ammunitie voorzien.
Hij maakte, waarschijnlijk onder invloed van zijn echtgenote Tjoet Nja Dinh, van de gelegenheid gebruik om met zijn gehele legioen naar de vijand over te lopen. Deze actie kwam bekend te staan als Het verraad van Toekoe Oemar. De verontwaardiging hierover in Nederland was groot en men wilde wraak. Vetter, legercommandant en toen ook regeringscommissaris, keerde naar Atjeh terug, versterkte de troepenmacht, ontzette de ingesloten posten en startte omvangrijke operaties tegen Oemar. Hiervoor werden in april en mei 1896 aanzienlijke troepenversterkingen naar Atjeh gedirigeerd. Na afloop van een driedaagse veldslag werd het huis van Teukoe Oemar te Lampisang veroverd en door de genie met de grond gelijk gemaakt. Teukoe Oemar was daar niet aangetroffen, hij bleek met zijn gevolg te zijn gevlucht naar de XXV Moekims aan de westkust van Atjeh. De verontwaardiging over het verraad was groot. In Nederland was veel aandacht voor de situatie in Atjeh, in 1896 kwam er zelfs een bordspel op markt met als thema de strijd tegen Teukoe Oemar.
Op 20 januari 1898 slaagde hij erin het gebied van Pedir te bereiken en werd door de hoofden aldaar als hoofdaanvoerder aangesteld. Toen kolonel Joannes Benedictus van Heutsz in juni een reeks van operaties -de zogenaamde Pedir-expeditie, waaraan ook de luitenants H.M. Vis en G.J.A. Webb deelnamen- startte, moest Oemar terugtrekken. In het najaar deed hij nog een poging tot verweer, maar toen deze mislukte was hij gedwongen naar zijn geboortestreek, de westkust, terug te keren.
In een hinderlaag gedood
Terwijl de 'moddercolonne' sinds september 1898 onder leiding van luitenant-kolonel Van der Dussen en majoor De Jongh langs de westkust van Atjeh door moerasgebieden op zoek was naar Teukoe Oemar, ontving Van Heutsz op 9 februari 1899 een bericht dat deze de aanval van de colonne niet wilde afwachten. Al zijn strijders zouden zich hebben verzameld met de bedoeling om de zwakke bezetting van Meulaboh (slechts 80 man) te overvallen. Van Heutsz, toevallig in Meulaboh op bezoek, bedacht zich geen moment. Nog die zelfde avond zond hij 30 man onder bevel van zijn adjudant over zee naar Boebon, om tussen Koewala en de monding van de Wojlarivier op ongeveer 20 km van de post Meulaboh een hinderlaag langs het strand te leggen waar Teukoe Oemar vermoedelijk langs zou trekken op weg naar Meulaboh. Van de vijand werd die nacht niets bespeurd, maar toen in de namiddag van 10 februari de mannen te Meulaboh waren teruggekeerd, kwam al spoedig het bericht dat de bende van Teukoe Oemar zich op korte afstand bevond. Nu zond Van Heutsz de andere helft van de bezetting uit onder bevel van de postcommandant, de eerste luitenant J.J. Verbrugh, om op enige kilometers ten noorden van Meulaboh een hinderlaag te leggen op het strand nabij Soeak Oedjoeng Kalak. Teukoe Oemar liep daar in de nacht van 10 op 11 februari 1899 in de val en werd daarbij toevallig gedood. De hele omgeving werd snel door de Nederlanders van vrijheidsstrijders gezuiverd.
De resterende strijdmacht van Teukoe Omar vluchtte naar moeilijk toegankelijk gebied. Onder hen bevond zich zijn weduwe Tjoet Nja Dinh, een van de drijfveren achter de opstand. Met de dood van hun leider had het Atjehse verzet echter een gevoelige klap gekregen.
Nageschiedenis
Per koninklijk besluit van 27 december 1899 werd 1e luitenant J.J. Verbrugh benoemd tot ridder der Militaire Willems-Orde 4e Klasse. Op de plaats waar Teukoe Oemar was gedood werd in 1917 een witte stenen obelisk opgericht op last van de gouverneur met de tekst Hier sneuvelde Teukoe Umar, 11 Februari 1899. Later werd in de buurt van Meulaboh een nieuw gedenkteken opgericht in de vorm van een koepiah meukeutob, het Atjehse hoofddeksel dat Oemar altijd droeg.
Na zijn dood werd Teukoe Oemar door zijn medestrijders begraven bij gampong Poetjok Loeëng. Zijn graf werd later enkele malen verplaatst om te voorkomen dat zijn lichaam in handen van de Nederlandse autoriteiten zou vallen. Het ligt nu ongeveer 80 km landinwaarts.
In de jaren 30 werd Teukoe Oemar door Soekarno een van de pahlawan tiga-sekawan genoemd, de 'drie heldhaftige vrienden', samen met Diponegoro en Imam Bonjol. Hij wordt in Indonesië vanwege zijn strijd tegen de koloniale overheersing geëerd als een der helden van Indonesië. Er zijn veel straten naar hem vernoemd.
In 1931 verkocht de bekende Atjeh-kenner F.W. Stammeshaus zijn privécollectie van 1300 etnografische objecten aan het Koloniaal Instituut in Amsterdam, het huidige Tropenmuseum. Het meest bekende stuk uit deze collectie is het ambtskostuum van Teukoe Oemar (zie onderstaande afbeelding). Momenteel heeft het museum Bronbeek te Arnhem deze jas in bruikleen gekregen van het Tropenmuseum. Een door Teukoe Oemar gedragen bijzondere geluksring kwam in 1979 via allerlei omwegen terecht bij het museum van het huidige Regiment van Heutsz, dat de tradities van het voormalige Indische leger voortzet.
Foto's
| Portaal KNIL |
Bronnen, noten en/of referenties:
- 1899. Bintang Djaoeh. Toekoe Oemar. Eigen Haard. Bladzijde 122-124.
- 1969. De Atjeh-oorlog, blz 153, auteur: Paul van `t Veer
- 1886, 1 juli, Straits Times Weekly Issue, Bladzijde 7, over de affaire rond de Hok Canton
- 1886, 21 juni Het nieuws van den dag: kleine courant, Bladzijde 14, over de affaire rond de Hok Canton
- Marechaussee van Atjeh, Du Croo, blz. 185.
- Voorschrift Patrouille lopen, uitgave Topografische Dienst Weltevreden, 1929.
- Van Heutsz", J.C. Witte, blz 64.
- Gedenkboek 40 jarig bestaan Korps Marechaussee, blz 65-79, blz. 108.
- Wapenfeiten van het Koninklijk Nederlands Indisch Leger, Couvee, blz 429.
- De Atjeh Oorlog, van 't Veer.
- Atjeh, Jongejans.