Korps Marechaussee te voet

Korps Marechaussee te voet van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger
Marechaussees O.I. leger. 1896.jpg
Marechaussee in 1896
Datum 1890 - 1942
Locatie Nederlands-Indië, met name Atjeh en Celebes
Casus belli Opstanden tegen het Nederlandse gouvernement
Strijdende partijen
link = Nederland Flag of the Aceh Sultanate.png Sultanaat Atjeh
Commandanten
link = Onder meer G.G.J. Notten, G.J.W.C.H. Graafland en J.B. van Heutsz Flag of the Aceh Sultanate.png Sultanaat Atjeh Onder meer lokale leiders als Teukoe Oemar, Tjoet Nja Dinh en Panglima Polèm II
Portaal  Portaalicoon   KNIL

Het Korps Marechaussee te voet (1890-1942), ook wel Korps Marechaussee van Atjeh en Onderhoorigheden genaamd, vormde het tactische antwoord van het Nederlands-Indisch Leger op de guerrilla in Atjeh in voormalig Nederlands-Indië. Deze formatie - te beschouwen als special forces - moet niet worden verward met de Koninklijke Marechaussee in Nederland.

Oprichting in 1890

Het Korps Marechaussee te voet, dat zich zou specialiseren in de contra-guerrilla, werd opgericht op 2 april 1890. De Atjeher Mohammad Sjarif werd beschouwd als geestelijk vader van het Korps. Hij kwam met het idee om de Atjehers te bestrijden met hun eigen middelen. Initiatiefnemer was kapitein der infanterie Notten, hij was tevens de eerste commandant. Ook Van Heutsz, toen chef van staf van het leger in Atjeh, was nauw betrokken bij de oprichting van het korps. In 1890 maakten toenemende aanvallen op de Nederlandse posten, en met name op de Atjeh Tram, een nieuwe wijze van attaqueren en dus een nieuw korps noodzakelijk.

1rightarrow.png Zie ook de Kaloet-affaire als voorbeeld van een Atjehse aanval op de Atjeh Tram in 1892.

Zo'n korps werd in 1890 opgericht en kreeg de naam Korps Marechaussees te Voet. Het telde, behalve de kapitein-commandant, drie luitenanten en twaalf sergeanten (brigade-commandanten), en was verder geheel uit inlandse manschappen samengesteld. Het gehele korps was 244 militairen sterk. Dankzij Notten, de eerste korpscommandant, werd het Korps Marechaussee verder uitgebouwd. Notten was niet alleen korpscommandant, maar verenigde in zich ook de hoedanigheden, die vereist werden voor een bekwaam hoofd van een politie. Geleid door krijgservaring en kennis van land en volk in Atjeh, wist hij met doorzicht en tact relaties aan te knopen met verschillende hoofden, wier sympathie hij spoedig verwierf, en door wie hij ten aanzien van veel plannen der guerrilla's werd ingelicht. De ondernemingen der marechaussees werden daardoor meestal met succes bekroond, zodat het vertrouwen in de Nederlandse macht bij de goedgezinde bevolking aanmerkelijk won. Een hinderlaag, vooral bij nacht, behoorde tot de meest inspannende en gevaarlijke oorlogshandelingen. Zij eiste terreinkennis, fijn gehoor en scherpe blik, terwijl beleid en koelbloedigheid aan een beslist optreden gepaard dienden te gaan, om met geringe strijdkrachten, zelfs op een grote overmacht, voordeel te kunnen behalen. Het Korps Marechaussee was dan ook uit ervaren en geharde soldaten samengesteld en werd officieel opgericht bij Gouvernements Besluit van 2 April 1890 nr. 10; de eerste commandant was, zoals genoemd, Notten; na hem, toen Notten bij het gouvernement in ongenade was gevallen, voerde kapitein R. Bakkers dat bevel en later stond dat korps onder commando van de kapitein der infanterie Graafland, tot ook hij, onder druk van het gouvernement, het commando over moest dragen.

Reorganisatie van het Korps Marechaussee van politie- tot offensieve gevechtseenheid, 1896

Enkele brigades van het Korps Marechaussee te Atjeh omstreeks 1897 bewapend met klewangs en Remington karabijnen

In de chef van staf kolonel C.P.J. van Vliet, de latere Civiel- & Militair Gouverneur van Atjeh, vond de commandant van het Korps Marechaussee kapitein Jhr. G.J.W.C.H. Graafland, in navolging van zijn twee voorgangers kapitein G.G.J. Notten en kapitein R. Bakkers, belangrijke steun voor de toepassing van zijn ideeën om het Korps Marechaussee niet meer te gaan benutten voor het beveiligen en dekken van transporten en konvooien (een zgn. politie taak), maar in hoofdzaak om terreinkennis op te doen in de streken gelegen op grotere afstand buiten de Binnenlinie. Dit terrein liet Graafland veelvuldig, vooral ’s nachts, bezoeken om zich te kunnen vergewissen van de trouw en waakzaamheid van de Atjehse bondgenoten in de wacht- en blokhuizen.
Graafland prentte zijn mannen in dat de klewang hun hoofdwapen was waarmee men de vijand te lijf moest gaan, terwijl de karabijn slechts in hoge nood gebruikt mocht worden. Later werden zelfs enige Marechaussee brigades op patrouille gestuurd met uitsluitend een klewang om zodoende het vertrouwen hiermee te vergroten. Het een en ander blijkt wel uit de volgende toespraak die Graafland in het Maleis aan het Korps gaf voor het vertrek van een moeilijke en gevaarlijke actie:

Ik herhaal wat ik U reeds leerde. De vijand steunt op zijn uit de loopgraaf en verschansingen af te geven vuur. Wanneer gij U daarom niet bekommert en hem stoutmoedig met de klewang te lijf gaat, nergens stelling neemt, maar als vastbeslotenen op hen aanrent zonder uw karabijnen te gebruiken, dan zult gij de trompen der geweren hoe langer hoe hoger zien gaan en de kogels telkens hoger over U heen horen fluiten. Gij moet geen ogenblik aarzelen. Zodra ik Marechaussee roep moet gij deze kreet luid herhalen, met de klewang over het hoofd zwaaien en als dollen op de Atjehers instormen. Wie schiet zonder vergunning van de luitenant zal worden bestraft. Alles moet geschieden met de klewang. De Atjehers moeten bang worden voor uw klewangs en alleen als gij met de klewang alleen vecht zal ik tevreden zijn. Maar trots zal ik zijn indien gij mij de bewijzen kunt leveren dat U de vijanden met de handen hebt aangegrepen en gedood. De ware moedige durft ook het wapen van zijn vijand aan. Ik reken erop dat ik vanavond rapport ontvang van talloze gedode vijanden. Durft gij de klewangs te vertrouwen? Durft gij dat te bewijzen?

Het massale antwoord der Marechaussees was Brani Soempah!, wat betekent: "ik durf te zweren". ’s Avonds bleek inderdaad dat diverse Marechaussees enkele vijanden met de blote hand hadden gedood. Het optreden van Graafland was uit psychologisch oogpunt een schot in de roos. In die dagen beschikte het Indische leger nog niet over het nieuwe repeteergeweer M95 (Hembrug) maar over een enkelschots geweer M73 (Beaumont). Hierdoor was de vuurkracht der infanterie zeer beperkt. Bovendien was het leger in 1896 gedemoraliseerd en voelde de tegenstander zich meerdere op de blanke wapens. Er was in het leger sprake van een zogenaamde "Atjeh-vrees". Door de wijze van optreden van Graafland nam het vertrouwen in het eigen kunnen binnen het Indische leger toe en kregen de Atjehers ontzag voor het Korps Marechaussee dat overdag of ‘s nachts te midden van de gevaarlijkste kampongs opdook uit het niets en even geheimzinnig weer verdween. Persoonlijk gaf hij leiding aan vrijwel alle grote acties waaraan het Korps Marechaussee onder zijn commando deel nam. Graafland was commandant van het Korps Marechaussee van november 1895 - juni 1896 en werd opgevolgd door kapitein E.A. van Kappen (juli 1896 - juli 1897). Per Gouvernements Besluit van 13 januari 1897 nummer 1 werd het Korps uitgebreid tot een sterkte van 5 officieren en 362 onderofficieren en minderen.

1rightarrow.png Zie ook de Pedir-expeditie voor een expeditie van het Korps Marechaussees

In 1898 werd ook het Korps Marechaussee met de karabijn M95 bewapend (= repeteergeweer). Omstreeks dezelfde periode vervielen de rentjong en de Remington-karabijn uit de bewapening. Met de invoering van de lichte repeteer karabijn M95 en klewangmodel "Sabel Marechaussee" was de marechaussee in alle behoeften voorzien en was een kort steekwapen overbodig. Hun korpsonderscheidingsteken, een rode vork op de schouder en kraag werden dan ook wel de "bloedvingers" genoemd.

Vliegende Colonnes, 1900

Een patrouille te Atjeh

Bij Gouvernementeel Besluit van 3 maart 1899 nummer 6 werd het Korps Marechaussee gereorganiseerd en uitgebreid naar 5 Divisies van ieder 12 brigades groot, welk aantal tot 1926 behouden zou blijven. De sterkte van het Korps Marechaussee bestond nu uit 20 officieren en 1212 onderofficieren en minderen. Omstreeks eind 1901 waren de divisies als volgt over geheel Atjeh verspreid:

De brigades hadden vrijheid van handelen in hun eigen sector waarvan men alles wist en waarin in het kampement een levensgrote schets (1:50) aanwezig was waar alle details op voorkwamen. De hoofdtaak was het controleren (bij duisternis) van de sector en het voeren van een anti-guerrilla. Als eerste commandant van de 1e Divisie Marechaussee was kapitein G.C.E. van Daalen de eerste commandant die de methode aangaf om zich even snel als de Atjehers te verplaatsen door nimmer van te voren door de Nederlandse troepen betreden oerwoud. Bijzonder aan deze colonnes was dat voor het eerst in de Atjeh- oorlog het beginsel werd toegepast om de troepen zo goed als geheel te doen laten leven op hetgeen het vijandelijk land zelf bood. De Marechaussee brigades waren geheel onafhankelijk in hun levensonderhoud en waren in staat om geruisloos voor een langere periode te opereren in vijandelijk gebied. Ieder lid droeg zijn eigen proviand mee waardoor een veldkeuken overbodig was. Hun kracht lag in hun aanpassingsvermogen aan de lokale terreinomstandigheden, hun beweeglijkheid en de aangepaste bewapening met de klewang naar Atjehs model. Men zocht de Atjehse benden op en viel deze dan bij verrassing aan en vernietigde deze dan in felle nabij gevechten. Zo raakten de Marechaussees spoedig bekend om hun meedogenloze manier van oorlog voeren tegen alles wat Atjeher was. Deze colonnes werden ook wel de zogenaamde "vliegende colonnes" genoemd en hadden vaak een gewelddadig karakter. Rond de eeuwwisseling , tijdens de Boerenoorlog, werd deze tactiek veelvuldig door de Boeren succesvol toepast tegen de Britten. Bekend was dat veel officieren uit het Indische leger sympathiseerden met de Boeren.

1rightarrow.png Zie ook Poeloe Raja als voorbeeld van een uitvalsbasis voor vliegende colonnes van de 5e Divisie Korps Marechaussee aan de westkust

De meest bekende vliegende colonnes die door heel Atjeh trokken waren:

Werkwijze

Leden van het Korps Marechaussee te Atjeh in de jaren 30, met in het midden de "Baas"

De inzet van het korps in de Atjeh-oorlog bracht de Atjehse strijders danig in het nauw, al zou het nog jaren duren voordat de laatste guerrilla-groepen konden worden uitgeschakeld. De totale sterkte van het korps groeide naar circa 1.200 man. De bewapening bestond uit een karabijn, een klewang (soort sabel, die werd gebruikt als aanvalswapen), alsmede een rentjong (Atjehse dolk). Hun optreden tegen de guerrillastrijders bleek effectief. Doordat de marechaussees langere tijd wisten te overleven in het oerwoud, waren ze in staat om deze strijders wekenlang te volgen naar hun thuisbases en ze vervolgens daar te elimineren. De inzet van de marechausseebrigades betekende een keerpunt in de Atjehoorlog. De militaire doctrine van het Korps Marechaussee te voet was aanvankelijk alleen fragmentarisch vastgelegd in dagboeken met persoonlijke ervaringen, geschreven door enkele betrokken officieren. Na de Atjehoorlog werd die doctrine formeel vastgelegd in het Voorschrift voor de uitoefening van de Politiek-Politionele Taak van het Leger (VPTL). Dit voorschrift bleef in de militaire praktijk in Nederlands-Indië zeer invloedrijk, tot in de periode van de naoorlogse politionele acties toe.

1rightarrow.png Panglima Polèm II en Pretendent Sultan waren belangrijke leiders van het Atjehse verzet die door het rusteloze optreden van het Korps Marechaussee in 1903 in onderwerping kwamen.

Samenstelling van een Marechaussee Brigade

Een brigade van het Korps Marechaussee, ca. 1910

De leden van het korps werden gerekruteerd uit de beste militairen van het Nederlands-Indische leger. Het Korps Marechaussee opereerde in multi-etnisch samengestelde teams, aangeduid als brigades. Een Marechaussee brigade stond meestal onder leiding van een Europees sergeant, de commandant, ook wel intern "baas" genoemd. Als de commandant een inheems sergeant der eerste klasse was, bestond de totale brigade uit inheemsen. Deze samenstelling had het grote voordeel dat het de mensen uit "eigen land" waren en dus meer geschikt voor geruisloos terreinwerk dan de Europese manschappen, de "jannen". Naast de baas was er ter ondersteuning een inheems sergeant der tweede klasse de "panglima" of "pang" genoemd en een landgenoot korporaal "keutji" en verder ongeveer 15 manschappen eerste en tweede klasse "marosees". Deze laatste waren van gemengde herkomst, meer dan de helft waren Javanen, dan drie of vier Manadonese en evenveel Ambonezen met nog enkele van elders. Een Boeginees, Soendanees of Timorees.

1rightarrow.png Zie ook Peutjoet voor een beschrijving van de laatste rustplaats van gesneuvelde marechaussees

Korpsvaandel

In 1930 kreeg het korps ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan een eigen vaandel, versierd met het ridderkruis der Militaire Willems-Orde 4e klasse. Gedurende de Tweede Wereldoorlog werd dit vaandel door luitenant Onvlee verborgen gehouden voor de Japanse bezetter. Het vaandel hangt tegenwoordig in Bronbeek.

Bekende leden van het korps marechaussee

Bekende leden van het korps marechaussee waren onder meer:

Vaandel van het korps Marechaussees


Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:

  • 1903. A. Prell. Iets over de marechaussees van het Indische leger en hun daden in Taptoe! Van Holkema & Warendorf. Amsterdam
  • 1943. M.H. du Croo. Marechaussee in Atjeh. Leiter Nypels. Maastricht.
  • 1985. J.J. de Nortier. Acties in de Archipel. Uitgeverij T.Wever.
  • 1996. J.Rep. Atjeh, Atjeh! Uitgeverij de Prom. Baarn.
  • 1999. J.A. de Moor. Westerlings Oorlog, Indonesië 1945-1950. Balans.
  • Artikel over klewangs, Kabbedijk.
  • Officieren te Atjeh
  • Stabelan, 31 augustus 1986 blz. 20
  • Gedenkboek 40 jarig bestaan Korps Marechaussee van Atjeh en Onderhoorigheden.
  • Gedenkboek 25 jarig bestaan Korps Marechaussee van Atjeh en Onderhoorigheden.