Henri Mari Vis
Henri Mari Vis (Soerabaja, 14 januari 1870 - Atjeh, 5 mei 1899) was een Nederlands eerste luitenant bij het Nederlands Indische leger en ridder in de Militaire Willems-Orde.
Loopbaan
Bij het Korps Marechaussee
Vis, zoon van Mattheus Hendrik Vis en Petronella Gardina van Schermbeek, volgde de Koninklijke Militaire Academie en werd op 1 augustus 1890 aangesteld als tweede luitenant bij het Nederlands Indische leger; hij werd op tien augustus 1898 bevorderd tot eerste luitenant. Bij verschillende aangelegenheden wist hij zich te Atjeh te onderscheiden en dankte daaraan zijn plaatsing bij het Korps Marechaussee te voet. In een gevecht bij Lamkoenjit, op 10 mei 1894, werd hij gewond door een schot in het been, maar bleef toch nog urenlang zijn mannen aanvoeren. In de veelbewogen dagen na de afval van Teukoe Oemar, in de eerste dagen van 1896, kwamen er nieuwe activiteiten. Op de veertiende april waren de marechaussees onder de luitenants Vis en Dijkstra ingedeeld bij de colonne Bisschoff van Heemskerk, die de ingesloten post Tjot Rang moest ontzetten. Aan hen was het vooral te danken, dat de voortdurende klewangaanvallen van de vijand werden afgeslagen, bij de aflossing van Senelop waren weer de marechaussees het eerst in de benting; bij de uiterst gevaarlijke terugtocht beveiligden zij door aanvallen met het blanke wapen de flanken van de colonne en alleen aan Vis en de zijnen was het te danken, dat de reeds door de Atjehnezen veroverde stukken weer werden overmeesterd. In de nacht van 23 mei daaropvolgend volvoerde luitenant-kolonel van Heutsz het waagstuk om een hoogte te bezetten die het verblijf van Oemar te Lampisang domineerde. Aan de spits van zijn marechaussees was Vis de eerste die de top bereikte.
Vis werd benoemd tot waarnemend controleur te Selimoen en op de 10de juni bij de opperbevelhebber ontboden. Generaal Vetter hechtte hem persoonlijk het ridderkruis der Militaire Willems-Orde vierde klasse op. Vis rustte echter niet voordat hij als "amateur" mocht deelnemen aan de nachtelijke tocht naar Anagaloeng, op 30 juni 1896. Bij de verrassing van de zwaar bewaakte benting werd binnen de versterking een verwoed gevecht geleverd met het blanke wapen; slechts klewang en sabel deden dienst. Kapitein jhr. Graafland, de luitenants Rijnen, Wegener en Dijkstra werden gewond, luitenant Stoop zakte van vermoeienis ineen en van de marechaussees werden 6 gedood en 23 gewond. Luitenant Vis verhinderde zo goed mogelijk de aftocht van de vijand en was de enige officier die ongedeerd bleef. Hij kon zodoende het corps uit de strijd terugvoeren.
Dood van Vis
Na de Pedir-expeditie werd Vis door generaal van Heutsz naar de VII Moekims geroepen omdat hij bij de pacificatie goede diensten zou kunnen bewijzen door zijn gedrevenheid in de Atjehnese taal. Op de vijfde mei 1899 ging Vis van Padang Tidji uit op een nachtelijke tocht, mede om een hoofd, met name Toekoe Lhon, te verrassen. Hierbij sneuvelden luitenant Vis en twee fuseliers. Fuselier Stroet meende dat de order gegeven was de woning van Toekoe Lhon binnen te dringen en stormde met gevelde bajonet de trap op om de vijand naar buiten te halen, maar boven gekomen ontving hij een schot dat hem dodelijk verwondde. Fuselier Riebe, die zijn makker zag vallen, wilde hem wreken en stormde eveneens vooruit. Vis wilde dat beletten omdat hij een zekere dood tegemoet ging maar door die beweging kwam ook hij voor de zware donkere opening, enige schoten knalden, en voordat anderen hulp hadden kunnen bieden waren beiden gevallen. Op de plaats waar Vis was gesneuveld verrees later een monument, betaald door zijn dienstmakkers, bij wie hij zeer geliefd was. Zijn lichaam rustte te Peutjoet, waar ook een monument stond.
| Portaal KNIL |
Bronnen, noten en/of referenties:
- 1899. A.S.H. Booms. Het sneuvelen van Henri M. Vis. RMWO. Eerste luitenant der infanterie. Waarnemend controleur te Atjeh. Elseviers Maandschrift. Bladzijde 65-71.
- 1899. Bintang Djaoeh. Henri van de Marechaussees. De eerste luitenant H.M. Vis. Eigen Haard. Bladzijde 315-316.