Friedrich Wilhelm Stammeshaus
Friedrich Wilhelm Stammeshaus (Sigli (Sumatra), 3 juni 1881 - Amsterdam, 21 augustus 1957) was een Nederlands militair, controleur, verzamelaar en etnograaf. Zijn collectie zou uitgroeien tot een van de belangrijkste etnografische verzamelingen in Noord-Sumatra.
Loopbaan
Stammeshaus, zoon van een Pruisisch officier van gezondheid en een Atjehse moeder, bood zich vrijwillig aan om zich als soldaat voor 6 jaar te binden aan het Leger in Oost-Indie. Na zijn middelbare schooljaren in Tilburg vertrok hij met het stoomschip Koning Willem III in de rang van sergeant op 20 juni 1903 uit Nederland om op 24 juli 1903 in Batavia aan te komen. Hier werd hij ingedeeld bij het elfde regiment infanterie. Op 26 mei 1904 volgde zijn overplaatsing naar Noord-Sumatra. Ondanks de heersende Atjehoorlog zou hij hier zijn grote liefde vinden voor het land, de cultuur en haar inwoners. Zijn eerste standplaats was bij het garnizoensbataljon van Sumatra’s oostkust in Medan. Het bataljon uit Medan fungeerde als bevoorrading en aanvullingscolonne voor de marechausseecolonne van overste Van Daalen die vanaf 8 februari 1904 onafgebroken door de Gajo en Alaslanden was getrokken en nu op het punt stond de Bataklanden binnen te trekken. Op 24 juni bereikte de aanvullingscolonne onder leiding van J.P.A. Wilhelm met sergeant Stammeshaus de marechausseecolonne van overste van Daalen. Op 23 maart 1906 kreeg hij het Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven met de gesp: Gajo en Alaslanden 1904.
In september 1904 was Stammeshaus actief op de Karo-hoogvlakte, dicht bij het gebied van de Pakpak Batak die bekend stonden om slavernij en kannibalisme. De vondsten in deze regio waren een goede aanvulling voor de etnografische verzameling van Stammeshaus. Hij diende nog tot 1908 in het Oost-Indisch leger en was gerechtigd, naast zijn gesp voor de Gajo en Alaslanden, tot het dragen van de gespen Atjeh 1901-1905, Midden Sumatra 1903-1907 en Atjeh 1906-1910. Vanaf 1910 was hij als schrijver werkzaam bij het Binnenlands Bestuur op de afdeling Groot-Atjeh te Seulimeum om vervolgens carrière maken als controleur bij het Binnenlands Bestuur te Lho Nga. Naast zijn bestuursfunctie was hij ook toezichthouder en conservator van het Atjeh Museum te Kota Radja. Het Atjeh Museum was een initiatief van de toenmalige gouverneur van Atjeh en Onderhorigheden generaal Swart. In 1931 verkocht Stammeshaus zijn privécollectie van 1300 etnografische objecten aan het Koloniaal Instituut in Amsterdam, het huidige Tropenmuseum. In deze collectie zaten velen topstukken, onder meer vele gouden sieraden, Atjehse wapens, amuletten, foto’s, maar ook gewone gebruiksvoorwerpen. Het meest bekende stuk is de persoonlijke jas van Teukoe Oemar. Op 13 november 1931 eindigde zijn loopbaan in Atjeh en werd hij benoemd tot assistent-conservator in het Koloniaal Instituut, waar hij tot 1946 werkzaam was als conservator. Daarnaast was hij actief als officier van de Amsterdamse Burgerwacht. Stammeshaus ontving vele onderscheidingen: onder meer het eerder genoemde Ereteken voor Belangrijke Krijgsbedrijven, Bene Merenti, het Onderscheidingsteken voor Langdurige Dienst als officier en het Verzetsherdenkingskruis. Namens de Atjehnese bestuurders kreeg Stammeshaus een Atjehnese titel met daarbij een rentjong en kupia voor zijn aandeel in het bestrijden van een hongersnood in Atjeh en zijn positieve bijdrage voor het Atjehnese volk tijdens zijn bestuursjaren.
| Portaal KNIL |
Bronnen, noten en/of referenties:
- 1905. J.C.J. Kempees. De tocht van overste van Daalen door de Gajo-, Alas- en Bataklanden van 8 februari tot 23 juli 1904. J.C. Dalmeijer. Amsterdam.
- 1977. A.A.J.T. Stammeshaus (red.), Eens en voor altijd Atjeh. Uit de nagelaten memoires van F.W. Stammeshaus, Amsterdam: Uitgeverij Centraal Venster
- 1914. Heel, M.G. van (samenst.), Gedenkboek van de Koloniale Tentoonstelling in Semarang 20 Augustus-22 november 1914, Batavia: Drukkerij Mercurius (twee delen)